Res Mixtae: een begripsverheldering

“Wie beslist in het concrete geval voor de als eigenstandig schepsel handelende mens over de vraag wat geestelijk en wat wereldlijk is, en hoe dit uitwerkt voor de res mixtae die, in de tussenperiode tussen de komst en de wederkomst van de Heer, het gehele aardse bestaan vormen van dit geestelijk-wereldlijke, spiritueel-temporele dubbelwezen, de mens?”[1]

De term res mixtae verwijst naar twee probleemvelden: (1) zaken die tot de bevoegdheid of competentie van twee verschillende domeinen behoren, en (2) zaken (of ook mensen: personae mixtae) waarin twee verschillende werelden verenigd zijn. In het bijzonder gaat het dan in het eerste geval om zaken die zowel tot het kerkelijk als het wereldlijk recht (kunnen) behoren, en dus onderwerp zijn (geweest) van strijd tussen de beheerders van dit recht – de kerk en de staat. In het tweede geval gaat het om een raakpunt tussen deze wereld en de wereld aan gene zijde, het aardse en het hemelse of goddelijke, het wereldlijke en het geestelijke, het waarneembare en het verborgene enzovoort. De res mixtae behoren bij uitstek tot het politiek–theologische vertoog, de behandeling van het politiek-theologische probleem, en maken deel uit van de geschiedenis van de Europese cultuur. Dat vertoog of dat probleem is niet alleen historisch interessant, maar –zonder noodzakelijk verband met de hedendaagse theologie of het kerkelijk recht – ook vandaag de dag nog van betekenis. De vaststelling dat iets een res mixta is, betekent dat deze zaak niet puur een wereldlijke aangelegenheid is, maar als waarneembaar feit tevens in een kader optreedt dat het tot belichaming of representatie van iets anders en hogers maakt. Dat is het geval wanneer een zaak als heilig of sacraal wordt beschouwd, of wanneer een zaak wordt bezien in het licht van een maatgevende orde. We weten inmiddels dat naakte feiten niet bestaan, maar dat feiten pas betekenis krijgen vanuit een bepaald interpretatiekader. De res mixtae verwijzen dan ook in het bijzonder naar de strijd over en rond interpretatiekaders, en in het bijzonder interpretatiemonopolies – in ieder geval sterke machts- en waarheidsaanspraken. De grote strijd tussen ‘kerk’ en ‘staat’, tussen geestelijke en wereldlijke macht, tussen godsdienst en politiek, is daarvan het belangrijkste voorbeeld. Deze strijd heeft een bredere betekenis, waardoor dit onderwerp ook nog van belang is in omstandigheden waarin het interpretatiemonopolie van de kerk naar de zijlijn is geschoven. Uiteindelijk gaat deze strijd over de vraag of wat geestelijk (of ideëel) van aard is zich verheft boven wat wereldlijk (of materieel) is, of dat ‘de geest’ alleen iets is ‘van deze wereld’.

De politiek–theologische betekenis van res mixtae

Historisch gezien moeten we de term res mixtae allereerst plaatsen in omstandigheden waarin twee onderscheiden instellingen aanspraak maken op rechtscheppende bevoegdheden binnen een maatschappij: die we gewoonlijk aanduiden als kerk en staat, geestelijke en wereldlijke macht. Beide instellingen voeren een andere grond aan om hun aanspraak op deze bevoegdheden te ondersteunen. De geestelijke macht beroept zich onder andere op openbaring, rechtmatige opvolging van Christus op aarde, traditie en het menselijk inzicht in de natuur (de scheppingsorde) – goddelijke aanspraken die bovenal geestelijk van aard zijn. De wereldlijke macht beroept zich op de noodzaak regelingen te treffen die de meer aardse problemen in een samenleving betreffen – een veilige orde en een bestendiging van rechtsaanspraken, pax et justitia. Alhoewel het theoretisch mogelijk is dat beide instellingen de uitoefening van hun bevoegdheden volstrekt gescheiden houden, zal het praktisch gezien onvermijdelijk blijven dat sommige zaken onder de bevoegdheid van beide instellingen vallen. In dat geval spreken we van res mixtae.[2] De zaken zijn bovendien vaak zo verstrengeld omdat de geestelijke macht onvermijdelijk een wereldlijke dimensie heeft (en zelfs een wereldlijke macht, een eigen politieke eenheid, is), en de wereldlijke macht ook geestelijke aanspraken kan hebben (en zelfs de strijd aangaan met de kerk om geestelijke hegemonie).
In deze historische context speelt allereerst het kerkrechtelijke perspectief een grote rol, aangezien met de res mixtae de vraag aan de orde is hoe ver de rechtscheppende bevoegdhe­den van de kerk als geestelijke macht reiken. In het verlengde hiervan en algemener gesteld raken we met de term res mixtae aan de vraag hoe ver een politieke theologie reikt: hoe ver dringt alles wat van goddelijke herkomst is binnen in het domein dat door de politiek wordt bezet. De meest vergaande leer (die de hierocratische leer wordt genoemd) stelt dat de wereldlijke macht geen enkel recht mag doen gelden dat in strijd is met het goddelijke en/of kerkelijke recht. Is dit wel het geval dan heeft de geestelijke macht de bevoegdheid ratione peccati in te grijpen, een recht dat in de middeleeuwen de paus daadwerkelijk, zij het met wisselend welslagen, uitoefent. Zonden zijn overtredingen van het goddelijke recht: alles wat uitgaande van de Openbaring verboden of geboden is. Een dergelijke macht noemt men een potestas indirecta in temporalibus, een macht die onder bepaalde voorwaarden gesteld is boven de macht die zich met aardse (tijdelijke of vergankelijke) zaken bemoeit.[3]
De ruimte die de wereldlijke macht gelaten wordt, hangt volgens deze leer af van datgene wat uit de Openbaring aan richtinggevende inhouden kan worden opgemaakt of afgeleid.[4] Een sterk gepolitiseerde geestelijke macht kan de maatgevende inhoud van de onder de rechtschep­pende bevoegdheid van de wereldlijke macht vallende zaken volledig vastleggen, zodat elke afwijking ratione peccati kan worden veroordeeld. Maar ook als datgene wat uit de Openbaring kan worden opgemaakt of afgeleid beperkt van omvang is, dat wil zeggen een groot aantal zaken ter regeling overlaat aan de wereldlijke macht zonder mogelijke ingrepen, dan nog blijft de leer impliceren dat de wereldlijke macht in geval van conflict, dat wil zeggen wanneer het een res mixta betreft, ondergeschikt is aan de geestelijke macht.[5]
De wereldlijke machten, of in het algemeen alle mensen met machtsaanspraken in deze wereld, hebben zich tegen deze leer verzet: door een eigen machtsdomein op te eisen dat buiten de bevoegdheid van de kerk valt, of zelfs door de kerk tot een zaak te maken die onder de bevoegdheid van de overheid valt (in ieder geval wat betreft haar publieke dimensie). Het beginsel van scheiding van staat en kerk op zich genomen helpt ons hier niet veel verder zolang niet vastligt wat tot de staat en wat tot de kerk behoort. Het beginsel laat toe dat men er zowel de vrijheid van onderwijs mee verdedigt (onderwijs valt onder de samenleving en de daar aanwezige organisaties zoals de kerken), als een ‘laïcistische’ invulling (onderwijs valt onder de staat en dient alleen tot ‘staatsburger’ of tot ‘beroepsbeoefenaar’ op te leiden). De vraag die voorafgaat aan wat kerk en staat zelf als hun machtsdomein beschouwen is dus: wie beslist wat tot de staat en wat tot de kerk behoort? En: welke gronden kunnen worden aangedragen om voor deze of gene bepaling van de onderscheiding te kiezen? De geschiedenis van Nederland laat zien hoe gecompliceerd de regelingen kunnen worden die dit soort problemen oproepen. Het heeft zelfs geleid tot de paradoxale situatie waarin ‘liberalen’ pleiten voor versterking van de bevoegdheden van de staat (algemeen onderwijs), terwijl de confessionele partijen de vrijheid van onderwijs verdedigen (bijzonder onderwijs). Het liberale gedachtegoed is zeker niet alleen ‘laïcistisch’, ook confessionele partijen hebben hun vrijheidstraditie. Geestelijke vrijheid of de vrijheid het eigen leven te kunnen inrichten stelt grenzen aan wereldlijke macht (en omgekeerd), zodat in de meest algemene zin res mixtae kunnen blijven optreden.
Het bestaan van res mixtae kan geloochend worden vanuit twee gezichtspunten. Het eerste gezichtspunt is de dualistische leer volgens welke de zaken keurig verdeeld zijn over de beide machten en overlappingen zijn uitgesloten. We hebben dan te maken met een onderscheid waarin beide kanten volledig van elkaar afgesloten zijn. Het tweede gezichtspunt is de monistische leer volgens welke ofwel de geestelijke macht ofwel de wereldlijke macht geen enkele rechtscheppende bevoegdheid heeft. Rechtsmacht of politieke macht is ononderscheiden. Dat komt neer op een politieke leer waarin aan één instelling rechtscheppende bevoegdheid is gegeven: de soevereiniteitsleer of een absolutisti­sche politieke theorie (waaronder ook democratische theorieën kunnen vallen). Die leer gaat ervan uit dat het eigen domein van het persoonlijke leven van mensen door geschonken rechten van de kant van het wereldlijk gezag zijn bepaald, en dat dus deze rechten niet voortkomen uit een andere rechtsbron.[6]
Uiteraard kan de term res mixtae op analoge wijze betrekking hebben op de onenigheid over andere onderscheiden instellingen, bijvoorbeeld op puur wereldlijke conflicten tussen instellingen met rechtscheppende bevoegdheden: Nederland en de Europese gemeenschap, een staat en het Internationale Gerechtshof enzovoort. Evenzo kunnen we verwijzen naar de spanning tussen iemands publieke functie en private rechten, of in het algemeen tussen publieke macht en de rechten van mensen. Omgekeerd zouden we het historische conflict tussen kerk en staat kunnen duiden als een soortgelijk wereldlijk gevecht over de rangorde van rechtsbevoegdheden. Niettemin is de status van de kerk of de geestelijke macht een bijzonder en zelfs uitzonderlijk geval, aangezien voor het onderscheid tussen de instellingen van kerk en staat de verwijzing naar het onderscheid tussen geestelijk en wereldlijk, goddelijk en menselijk, voorop staat.
Interessant voor een begrip van de res mixtae in het politieke denken van de Nieuwe Tijd is de vraag wat er met dit vraagstuk gebeurt zodra

  1. de geestelijke macht in haar wereldlijke gedaante verdeeld raakt en over meerdere kerken of godsdienstige gemeenschappen verspreid raakt,
  2. de institutionele vorm van een onderscheiden geestelijke macht wordt losgelaten of zelfs – vanuit de politieke orde gezien – geprivatiseerd (het eigen geweten van de burger),
  3. de publieke betekenis van het goddelijke verdwijnt, dat wil zeggen het nihilisme van de geestelijke macht zijn intrede doet (het goddelijke is afwezig, een beroep daarop heeft elke geldigheid verloren, een vraag in die richting stoot op een absoluut Niets).

Het eerste geval, de oplossing (bekend onder de formule cuius regio eius religio) die de wereldlijke macht kiest om de situatie na het schisma van de ene christelijke kerk te lijf te gaan, te weten het aanwijzen van één geldige godsdienst en daarmee ook één erkende kerk (soms zelfs uitdrukkelijk als staatskerk), geeft aan dat men blijft denken in de overgeleverde termen. Men zou kunnen zeggen dat de andere ‘oplossingen’ pas werkelijk kenmerkend zijn voor de Nieuwe Tijd, dat wil zeggen: een breuk met het voorafgaande tijdperk forceren.[7] Het tweede geval kan verbonden worden met het bestaan van een civil religion, waarin een politieke gemeenschap de rol van de godsdienst erkent maar in eigen hand neemt. De oplossing van de tolerantie of de godsdienstvrijheid valt hier ook onder, waarbij in toenemende mate godsdienstige zaken een vrije kwestie worden – en daarmee hun publieke betekenis verliezen. Het derde geval is het meest geheimzinnig, aangezien het niet zonder meer om een platte erkenning van het wereldlijke karakter van politiek gaat, maar uitdrukkelijk een geseculariseerd element bevat: er is nog een verhouding tot een wereld aan gene zijde, zelfs al blijft deze leeg en betreft het een verhouding tot een God die afwezig of zelfs dood is (en dus geen antwoord geeft op onze vragen). Van belang is in ieder geval te erkennen dat deze kwestie niet alleen speelt voor mensen die blijven geloven dat God menselijke vragen beantwoordt (of reeds heeft beantwoord), maar ook voor degenen die ‘niet meer geloven’. De erkenning van het bestaan van res mixtae impliceert in de hedendaagse context het aannemen van politiek-wereldlijke vraagstukken die niet alleen op wereldlijke gronden kunnen worden beoordeeld. Het impliceert evenwel niet dat men al een vaste vorm erkent waarin deze vraagstukken dan beoordeeld moeten worden.

Dubbelzinnige personen

De veronderstelling die aan de term res mixtae ten grondslag ligt, zo zagen we hierboven, is dat er zaken zijn die in twee maatgevende domeinen, in twee verschillende werelden, onder twee onderscheiden aanspraken, vallen. Wat voor zaken geldt, kan ook voor personen gelden. We hebben dan te maken met personae mixtae of personae geminae. Ik geef hier een eerste aanzet tot een typologie van dubbelzinnige personen, dat wil zeggen personen wier karakter, bevoegdheid of optreden op twee wijzen kan worden uitgelegd.[8]
Alleen in een wereldbeeld waarin een rangorde bestaat die loopt van het hoogste geestelijke wezen tot aan het laagste stoffelijke bestaan, kunnen dubbelwezens gedacht worden die meer zijn dan metaforen, dat wil zeggen een werkelijkheid belichamen. Het gaat om devote of heilige personen. Dat is het geval wanneer een mens probeert gelijk een engel te zijn – het geestelijke wezen dat in de rangorde net boven de mens staat. Een mens probeert dan in deze wereld en met zijn eigen lichaam het vita angelica van de hemelse wezens te ensceneren, als een engelachtig wezen te leven.[9]
Een belangrijk betekenisveld van de term is de religieus-politieke sfeer, waar geestelijke en wereldlijke machten of bevoegdheden in één persoon verenigd kunnen zijn wanneer iemand op posities in beide instellingen terecht komt: dubbelbenoemingen. Concreet: een bisschop die tegelijk edelman is.[10] Of in alledaagse taal: iemand draagt een dubbele pet, bekleedt wellicht moeilijk te verenigen functies. Men weet niet in welke hoedanigheid iemand spreekt, of positief geduid: iemand draagt een andere functie mee in zijn huidige (zoals een benoeming qualitate qua).
Alhoewel zeker vanuit de pauselijke leer met zeer veel terughoudendheid werd ook aangenomen dat een koning geestelijke eigenschappen bezat, geen ‘gewoon mens’ was. Ook aan wereldlijke gezagdragers komt een verhevenheid toe in de godsdienstige zin van het woord. En ook later zien we in de protestantse leer de vorst verschijnen als duplex persona, saecularis et ecclesiastica.[11] Elders heet het dat een vorst een soort God is, maar dan niet van nature maar door (goddelijke) genade: bij de gratie Gods.[12] Dit staat in de lijn van een lange traditie: de sacrale koningen.[13]
Verwant is de term gemina persona voor de vereniging van twee ‘naturen’ in één persoon. De persoon in kwestie heeft dan een dubbele natuur. Dat was voor de figuur van Christus het geval (God en mens), maar werd in sommige politieke theologieën ook van toepassing verklaard op een vorst.[14] Beide termen komen ook samen voor. In ‘christomimeti­sche’ teksten zijn zowel de koning als de priester personae mixtae (namelijk geestelijk en wereldlijk) en personae geminatae (menselijk van nature en goddelijk door genade).[15]
     De leer van de persona mixta, zoals die rond 1100 bestond, heeft geen directe relatie met de leer van de twee lichamen van de koning zoals die zich later ontwikkelt. In het eerste geval gaat het over geestelijke en wereldlijke bevoegdheden, in het tweede geval om het politieke en het natuurlijke lichaam. Maar beide lijken wel iets met elkaar te maken te hebben.[16] De leer van de twee lichamen veronderstelt in ieder geval dat de vorst zowel een politiek lichaam (zijn gedragingen zijn de handelingen van de staat) als een natuurlijk lichaam is (en als zodanig zijn zijn gedragingen handelingen van een gewoon menselijk lichaam). Kantorowicz: “The difficulties of defining the effects as exercised by the body politic – active in the individual king like a deus absconditus – on the royal body natural are obvious.”[17]
In de latere middeleeuwen is het niet zonder meer evident dat de verhouding tussen het politieke lichaam en het hoofd daarvan, de koning, als een vereniging of vermenging van twee lichamen wordt gezien. Veeleer wordt de koning onmiddellijk gelijkgesteld met zijn eigen lichaam, dat een corpus separatum is, naast vele andere afzonderlijke lichamen, binnen het grote lichaam van de staat. De koning is alleen het meest vooraanstaande deel van het politieke lichaam, maar niet dit politieke lichaam zelf (tezamen met zijn natuurlijke lichaam).[18]
     Wanneer de functie van de koning meer in verband komt te staan met wetgeving verschuift het idee van vermenging naar het dubbele karakter van de wetgeving: de wet is van oorsprong goddelijk maar in zijn afkondiging menselijk; en omgekeerd is de koning de “bezielde wet” of “Rechtvaardigheid in leven”. De koning was in zijn rechtvaardigheid de plaatsvervanger van God. Deze figuur is niet langer een nabootsing van Christus Koning, maar evenmin reeds de belichaming van een absoluut of goddelijk verklaarde politieke orde, maar staat daar nog tussenin. De koning is een nieuw soort persona mixta: zowel de belichaming als de hoogste gebieder van de godheid Rechtvaardig­heid.[19]
In een minder theologische en een meer juridische omgeving wordt het begrip van de persona gemina eerder uitgedrukt als samenvoeging van een persona publica en een privata voluntas – zoals bij John of Salisbury het geval is.[20] Het gaat dan om een scheiding van publiek en privaat persoon. In deze vorm kennen wij de gespleten of in zichzelf onderscheiden mens natuurlijk ook nog. Het publieke of functionele deel van de mens raakt echter steeds meer los van de oude politiek-theologische betekenis van verhevenheid – een hogere plaats in een rangorde, dichter bij de goddelijke sfeer.[21] Vandaag de dag is de mediale betekenis van publieke personen sterk geproblematiseerd: aan de ene kant een functionalisering (de ambtenaar of politicus op afstand van de burger), aan de andere kant privatisering (het menselijke karakter van de publieke persoon is dan het enige dat telt).

De actualiteit van de res mixtae

Over de actualiteit van dit begrip valt veel te zeggen: dat zal in de rest van dit boekproject gebeuren. Hier beperk ik mij tot één actualisering. De res mixtae zijn voor Carl Schmitt de zaken die een “afrekening met alle politieke theologie” voorlopig onmogelijk maken, aangezien het bestaan van deze zaken “de vraag wat wereldlijk is en wat geestelijk” levend houden, een vraag die kenmerkend is voor “dit geestelijk-wereldlijke, spiritueel-temporele dubbelwezen, de mens”.[22] Tot de res mixtae behoren onder andere die politieke problemen die tevens om een ‘theologische’ beoordeling vragen, en omgekeerd die ‘theologische’ uitspraken die tot een politiek probleem aanleiding kunnen geven.[23] In het licht van de christelijke traditie is dit een opmerkelijke stellingname. Augustinus’ leer van de twee rijken is slechts in schijn een oplossing van het probleem, aangezien de beslissing wat met het aardse en wat met het hemelse rijk te maken heeft, een beslissing blijft die mensen op aarde nemen.
Theologische uitspraken zijn alleen binnen een kerkelijke instelling als zodanig omschreven, namelijk als de kerkelijk gerechtvaardigde uitspraken van theologen. Maar op een meer algemeen vlak is niet langer duidelijk wat nu als theologische uitspraak kan gelden – vandaar de aanhalingstekens hiervoor. Ik herinner aan de drie feiten die de Nieuwe Tijd wat betreft de res mixtae voor het politieke denken heeft geschapen: de splijting van de ene christelijke kerk, politisering of privatisering van godsdienstige overtuiging en publieke afwezigheid van God. Die drie feiten tezamen impliceren de teloorgang van het interpretatiemonopolie op de goddelijke openbaring – een mogelijkheidsvoorwaarde voor het vastleggen van de onderscheiden delen van de res mixtae. Ik ga ervan uit dat deze geschiedenis van teloorgang het pas mogelijk heeft gemaakt de goddelijke openbaring als zodanig irrelevant te vinden.  We stellen vast dat mensen steeds minder geloven dat de beide Testamenten de Openbaring van Gods Woord zijn of dat er wel een goddelijke Openbaring, in welke gedaante dan ook, bestaat. Ik meen evenwel dat dit afnemende geloof niet de oorzaak is geweest voor de drie feiten. Juist het verdwijnen van het interpretatiemonopolie doet de strijd over de juiste interpretatie ontbranden – dat is de strekking van Schmitts opmerking.[24]
De drie genoemde feiten inlijven in de leer van de res mixtae impliceert het volgende. De drie feiten tezamen betekenen dat elke uitspraak dat een zaak niet alleen van wereldlijke maar ook van geestelijke aard is (en dus niet alleen langs wereldlijke weg kan worden behandeld) de uitspraak is van een enkeling die zich op zijn eigen ‘geweten’ moet beroepen, in ieder geval geen publieke gelding aan zijn uitspraak kan verlenen, ook al spreekt hij als lid of als woordvoerder van een van de vele privaatrechtelijke organisaties die zegt het Woord van God te vertegenwoordigen. De ‘afwezigheid van God’ kan ook betekenen dat iemand zijn uitspraak dat een zaak niet alleen wereldlijk maar ook geestelijk van aard is, alleen kan rechtvaardigen door te verwijzen naar ‘hogere waarden’ – en ook dit als lid of als woordvoerder van organisaties die zeggen deze ‘hogere waarden’ te vertegenwoordigen (of te propageren). Dit laatste ligt in het verlengde van de rechtsregel, volgens welke magis dignum trahit ad se minus dignum (het meerderwaardige trekt het minderwaardige naar zich toe). Door zich te verbinden met iets van hoger waarde kan een zaak of persoon zich verheffen boven zaken of personen die hiermee niet verbonden zijn.[25]
In al deze gevallen kan men nog zeggen dat de uitspraken uitdrukking zijn van een of andere vorm van openbaring – dat wil zeggen het wereldkundig maken van de aanspraken van de geestelijke of goddelijke sfeer. Het derde feit kan evenwel nog veel radicaler worden uitgelegd: de enkeling kan zelfs zijn eigen ‘geweten’ niet meer als geestelijk feit rechtvaardi­gen en een lidmaatschap van een geestelijke gemeenschap niet meer als voorafschaduwing van de komst van een Rijk van God ervaren, omdat Gods afwezigheid hem elke houvast ontneemt en hem zelfs verbiedt te fingeren alsof God – in ieder geval voor hem of zijn gemeenschap – wel aanwezig is. Maar toch kan dit geweten nog het teken zijn dat de wereld niet zomaar in zichzelf besloten ligt, ook al verwijst het teken inhoudelijk gezien naar niets. Dit teken verbiedt slechts elke volledige overgave aan de immanentie van de wereld.[26]
Deze gedachtegang kent vele haken en ogen. Het belangrijkste probleem wil ik kort vermelden. Wat hier dreigt is een omkering van de hierocratische leer: de voorrang van de in geestelijke zaken neutrale wereldlijke macht. Deze laat het geestelijk leven van rechtspersonen (individuele burgers of verenigingen van burgers) vrij in hun geestelijk leven, maar oefent een potestas indirecta in spiritualibus uit waar als zonde geldt het in gevaar brengen van de geestelijke neutraliteit. De wereldlijke macht grijpt in geestelijke zaken in zodra deze tot publieke macht worden en het voortbestaan van de neutrale staat bedreigen. Maar paradoxaal genoeg impliceert dit toch een hoogste waarde (bijvoorbeeld alles moet onderhandelbaar blijven) die zelf niet door de wereldlijke macht belichaamd kan worden – tenzij deze wereldlijke macht eist ook als ‘sterfelijke God’ en als geestelijke macht of als kerk erkend te worden. In dat geval legt men, zoals ook het oogmerk van Thomas Hobbes is, het interpretatiemonopolie op geestelijk gebied bij de wereldlijke macht.[27]

Noten

[1] Carl Schmitt, Politische Theologie II. Die Legende von der Erledigung jeder Politischen Theologie (1970), Duncker & Humblot, Berlin 1984 (vierde druk), p.107: “Wer entscheidet in concreto für den in kreatürlicher Eigenständigkeit handelnden Menschen die Frage, was Geistlich und was Weltlich ist und wie es sich mit den res mixtae verhält, die nun einmal in dem Interim zwischen der Ankunft und der Wiederkunft des Herrn die ganze irdische Existenz dieses geistig-weltlichen, spiritual-temporalen Doppelwesens Mensch ausmachen?”

[2] Zie voor wat volgt Hans Barions bespreking van Saggi storico intorno al Papato dei Professori della Facultà di Storia Ecclesiastica (1960) opgenomen in Kirche und Kirchenrecht. Gesammelte Aufsätze, Hrsg. v. W. Böckenförde, Ferdinand Schöningh, Paderborn etc.1984, met name blzn.421-428.

[3] Zie Hans Barion, ‘Potestas indirecta’, in Kirche und Kirchenrecht, The King’s Two Bodies, blzn.509-510, en ‘Römisch-katholisches Kirchenrecht’ (1966), blz.337.

[4] Voornamelijk op dit punt speelde zich (in de tweede helft van de vorige eeuw) de binnenkerkelijke discussie af over de ‘nieuwe politieke theologie’ van mensen als Metz: legt de Openbaring specifieke politieke plichten op aan de leden van de kerkelijke gemeenschap, of laat de Openbaring specifieke politieke keuzen aan de gelovigen zelf over? Of algemener gesteld: maakt God aanspraak op het gehele menselijke leven of slechts op een deel van het leven, waarbij de rest aan de mens zelf wordt overgelaten?

[5] Zie voor een meer eigentijdse beoordeling van deze leer mijn artikel ‘De politieke theologie van een potestas indirecta’, in Marcel Becker, Paul van Tongeren (red.), Christelijk Sociaal Denken, Traditie-Actualiteit-Kritiek, Damon, Budel 2009; ook als ‘The Political Theology of a Potestas Indirecta’, in Religion, State and Society. Special Issue: Aspects of Christian Social Thought [ISSN 0963-7494], 41(2013)2, blzn.133-151; ook in gewijzigde versie opgenomen als eerste hoofdstuk in Waarom tolerantie niet de hoogste waarde kan zijn. Over de omgang met heilige zaken, Damon, Eindhoven 2019 (met Theo de Wit).

[6] Een liberalisme dat mensenrechten voor onaantastbaar houdt, vallend buiten de bevoegdheid van wereldlijke machten, en dus ‘werkelijk’ bescherming biedend tegen wereldlijke machten, vooronderstelt een andere rechtsbron die in dit geval ook van een hogere orde is – en herinnert zo aan de oude leer van de potestas indirecta in temporalibus, en de leer van de twee machten of ‘zwaarden’.

[7] Het is van belang te onderstrepen dat er niet één moderne benadering van dit probleem bestaat, maar dat zowel door denkers als door politieke en geestelijke leiders zeer verschillende oplossingen worden aangedragen: van het vasthouden aan een voorrang van een theocratisch bewind, via het vasthouden van een grote of kleine rol voor de godsdienst in samenleving en politieke gemeenschap, tot aan een liberaal en democratisch bewind waarin de godsdienst een persoonlijke zaak wordt. Zie voor een bespreking van meerdere standpunten: Ronald Beiner, Civil Religion. A Dialogue in the History of Political Philosophy, Cambridge University Press, Cambridge 2011.

[8] Ik volg de weergave van wat over dit onderwerp te vinden is in Ernst H. Kantorowicz, The King’s Two Bodies. A Study in Medieval Political Theology (1957), Prince­ton (New Jersey) 19816.

[9] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.43.

[10] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.43. En: zich als bisschop aan het celibaat houdt, terwijl hij als baron het leven van een gehuwd man voert.

[11] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.44 en noot 6.

[12] Ernst H. Kantorowicz, ‘Deus per naturam, deus per gratiam: A Note on Mediaeval Political Theology’, in Selected Studies, J.J. Augustin Publisher, Locust Valley (New York) 1965.

[13] Francis Oakley, Kingship. The politics of enchantment, Blackwell, Malden/Oxford/Victoria 2006; Alan Strathern, Unearthly Powers. Religious and Political Change in World History, Cambridge University Press, Cambridge 2019.

[14] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.49.

[15] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.59.

[16] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.45.

[17] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.12.

[18] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.270.

[19] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.143.

[20] Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.96.

[21] Grahame Lock, De lichamelijke staat. Rationaliteit en mystiek in de politieke theorie en filosofie, E.J. Brill, Leiden 1985.

[22] Carl Schmitt, Politische Theologie II. Die Legende von der Erle­digung jeder Poli­tischen Theologie (1970), Berlin 1984 (vierde druk), blz.107.

 [23] Zie Theo de Wit, De onontkoombaarheid van de politiek (proefschrift), Ubbergen 1992, blzn.375, 379f. en 406.

 [24] Het debat over de vraag of Schmitt zelf als katholiek gelovige, als loyaal kerklid, als theoloog met een bepaalde signatuur, of juist allereerst of zelfs uitsluitend als jurist, als politiek denker, als lid van de NSDAP of wat dan ook sprak, geeft aan dat zijn werk zelf niet getuigt van het bestaan van een dergelijk interpretatiemono­polie. Anders was dit debat nooit ontstaan, dat wil zeggen hadden zijn teksten nooit aanleiding kunnen geven tot zulke verschillende interpretaties. Zie Bernd Wacker (red.), Die eigentlich katholische Verschärfung … Konfession, Theologie und Politik im Werk Carl Schmitts, Wilhelm Fink Verlag, München 1994.

[25] Zie Kantorowicz, The King’s Two Bodies, blz.10.

[26] Ik denk nu met name aan denkbeelden van Georges Bataille en van Jacob Taubes; en voor een hiermee vergelijkbare toepassing in de theorie van de democratie aan de denkbeelden van Claude Lefort. Ongetwijfeld passen hier meer namen.

27] Dat Hobbes daarbij niet geheel consequent te werk ging, toont Schmitt aan waar hij aangeeft dat Hobbes tegelijk ruimte laat voor de enkeling die in secret free blijft om te geloven wat zijn geweten hem ingeeft. Zie Der Leviathan in de Staatslehre des Thomas Hobbes. Sinn und Fehlschlag eines politischen Symbols (1938), Köln‑Lövenich 1982.

Welcome!

This is popup preview that you can fill with any content you want.

The plugin include some shortcodes, you can read more about them at the bottom of this page. The main 3 sections to configure the popup are:

Appearance: Where you edit the look and feel of the popup.
Display Rules: Here you choose on which page to display the popup (Set to all by default)
Display options: Some important settings about the plugin, being the more important trigger action.