Res Mixtae: een begripsverheldering

De term res mixtae verwijst allereerst naar elementen uit de politiek–theologische vertogen die ook vandaag de dag – en zonder noodzakelijk verband met de hedendaagse theologie of kerkelijk recht – nog betekenis hebben. De vaststelling dat iets een res mixta is, betekent dat deze zaak niet puur een wereldlijke aangelegenheid is. De zaak kan op grond hiervan in aanmerking komen voor een veroordeling – in politiek-theologische woorden – ‘ratione peccati’ (hoe die veroordeling dan ook uitgesproken en gerechtvaardigd wordt). Een zaak tot puur wereldlijke aangelegenheid maken is zeggen dat elk beheer of elke regeling van een zaak onderhandelbaar moet zijn. Daarmee herleidt men immers elke aanspraak tot die van een wereldlijke macht, ongeacht de geestelijke aanspraken van deze macht.

De politiek–theologische betekenis van res mixtae

Historisch gezien moeten we de term res mixtae allereerst plaatsen in omstandigheden waarin twee onderscheiden instellingen aanspraak maken op rechtscheppende bevoegdheden binnen een maatschappij: de kerk en de staat, de geestelijke en de wereldlijke macht. Beide instellingen voeren een andere grond aan om hun aanspraak op deze bevoegdheden te ondersteunen. De geestelijke macht beroept zich op openbaring, rechtmatige opvolging van Christus op aarde, traditie en het menselijk inzicht in de natuur (de scheppingsorde) – goddelijke aanspraken die bovenal geestelijk van aard zijn. De wereldlijke macht beroept zich op de noodzaak regelingen te treffen die de meer aardse problemen in een samenleving betreffen – een veilige orde en een bestendiging van rechtsaanspraken. Alhoewel het theoretisch mogelijk is dat beide instellingen de uitoefening van hun bevoegdheden volstrekt gescheiden houden, zal het praktisch gezien onvermijdelijk blijven dat sommige zaken onder de bevoegdheid van beide instellingen vallen. In dat geval spreken we van res mixtae. [Barion 1984, 421-428]

In deze historische context speelt allereerst het kerkrechtelijke perspectief een grote rol, aangezien met de res mixtae de vraag aan de orde is hoe ver de rechtscheppende bevoegdhe­den van de kerk als geestelijke macht reiken. In het verlengde hiervan en algemener gesteld raken we met de term res mixtae aan de vraag hoe ver een politieke theologie reikt: hoe ver dringt alles wat van goddelijke herkomst is binnen in het domein dat politiek wordt bezet. De meest vergaande leer (die de hierocratische leer wordt genoemd) stelt dat de wereldlijke macht geen enkel recht mag doen gelden dat in strijd is met het goddelijke en/of kerkelijke recht. Is dit wel het geval dan heeft de geestelijke macht de bevoegdheid ratione peccati in te grijpen. Zonden zijn overtredingen van het goddelijke recht: alles wat uitgaande van de Openbaring verboden of geboden is. Een dergelijke macht noemt men een potestas indirecta in temporalibus, een macht die onder bepaalde voorwaarden gesteld is boven de macht die zich met aardse (tijdelijke of vergankelijke) zaken bemoeit. [Barion 1984, 509-510, 337]

De ruimte die de wereldlijke macht gelaten wordt, hangt volgens deze leer af van datgene wat uit de Openbaring aan richtinggevende inhouden kan worden opgemaakt of afgeleid. (Voornamelijk op dit punt speelde zich in de tweede helft van de vorige eeuw de binnenkerkelijke discussie af over de ‘nieuwe politieke theologie’ van mensen als Metz: legt de Openbaring specifieke politieke plichten op aan de leden van de kerkelijke gemeenschap, of laat de Openbaring specifieke politieke keuzen aan de gelovigen zelf over? Of algemener gesteld: maakt God aanspraak op het gehele menselijke leven of slechts op een deel van het leven, waarbij de rest aan de mens zelf wordt overgelaten?) Een sterk gepolitiseerde geestelijke macht kan de maatgevende inhoud van de onder de rechtschep­pende bevoegdheid van de wereldlijke macht vallende zaken volledig vastleggen, zodat elke afwijking ratione peccati kan worden veroordeeld. Maar ook als datgene wat uit de Openbaring kan worden opgemaakt of afgeleid beperkt van omvang is, dat wil zeggen een groot aantal zaken ter regeling overlaat aan de wereldlijke macht zonder mogelijke ingrepen, dan nog blijft de leer impliceren dat de wereldlijke macht in geval van conflict, dat wil zeggen wanneer het een res mixta betreft, ondergeschikt is aan de geestelijke macht. [Terpstra 2009]

Het beginsel van scheiding van staat en kerk op zich genomen helpt ons hier niet veel verder zolang niet vastligt wat tot de staat en wat tot de kerk behoort. Het beginsel laat toe dat men er zowel de vrijheid van onderwijs mee verdedigt (onderwijs valt onder de samenleving en de daar aanwezige organisaties zoals de kerken), als een ‘laïcistische’ invulling (onderwijs valt onder de staat en dient alleen tot ‘staatsburger’ of tot ‘beroepsbeoefenaar’ op te leiden). De vraag is dus: wie beslist wat tot de staat en wat tot de kerk behoort? En: welke gronden kunnen worden aangedragen om voor deze of gene bepaling van de onderscheiding te kiezen? De geschiedenis van Nederland laat zien hoe gecompliceerd de regelingen kunnen worden die dit soort problemen oproepen. Het heeft zelfs geleid tot de paradoxale situatie waarin ‘liberalen’ pleiten voor versterking van de bevoegdheden van de staat (algemeen onderwijs), terwijl de confessionele partijen de vrijheid van onderwijs verdedigen (bijzonder onderwijs). Het liberale gedachtegoed is zeker niet alleen ‘laïcistisch’, ook confessionele partijen hebben hun vrijheidstraditie.

Het bestaan van res mixtae kan geloochend worden vanuit twee gezichtspunten. Het eerste gezichtspunt is de dualistische leer volgens welke de zaken keurig verdeeld zijn over de beide machten en overlappingen zijn uitgesloten. We hebben dan te maken met een onderscheid waarin beide kanten volledig van elkaar afgesloten zijn. Het tweede gezichtspunt is de monistische leer volgens welke ofwel de geestelijke macht ofwel de wereldlijke macht geen enkele rechtscheppende bevoegdheid heeft. Rechtsmacht of politieke macht is ononderscheiden. Dat komt neer op een politieke leer waarin aan één instelling rechtscheppende bevoegdheid is gegeven: de soevereiniteitsleer of een absolutisti­sche politieke theorie (waaronder ook democratische theorieën kunnen vallen). (Uiteraard kan de term res mixtae ook betrekking hebben op puur wereldlijke conflicten tussen instellingen met rechtscheppende bevoegdheden: Nederland en de Europese gemeenschap, een staat en het Internationale Gerechtshof enzovoort, en als zodanig kan ook het historische conflict tussen kerk en staat geduid worden. In het voorafgaande wordt de aanspraak van een geestelijke macht om te spreken namens een goddelijke wetgever ernstig genomen.)

Interessant voor een begrip van de res mixtae in het politieke denken van de Nieuwe Tijd is de vraag wat er met dit vraagstuk gebeurt zodra

  1. de geestelijke macht in haar wereldlijke gedaante verdeeld raakt en over meerdere kerken of godsdienstige gemeenschappen verspreid raakt,
  2. de institutionele vorm van een geestelijke macht wordt losgelaten en – vanuit de politieke orde gezien – geprivatiseerd (het eigen geweten van de burger),
  3. de publieke betekenis van het goddelijke verdwijnt, dat wil zeggen het nihilisme van de geestelijke macht zijn intrede doet (het goddelijke is afwezig, een beroep daarop heeft elke geldigheid verloren, een vraag in die richting stoot op een absoluut Niets).

Het eerste geval, de oplossing die de wereldlijke macht kiest om de situatie na het schisma van de ene christelijke kerk te lijf te gaan, te weten het aanwijzen van één geldige godsdienst en daarmee ook één erkende kerk (soms zelfs uitdrukkelijk als staatskerk), geeft aan dat men blijft denken in de overgeleverde termen. Men zou kunnen zeggen dat de andere ‘oplossingen’ pas werkelijk kenmerkend zijn voor de Nieuwe Tijd, dat wil zeggen: een breuk met het voorafgaande tijdperk forceren. Het tweede geval kan verbonden worden met het bestaan van een civil religion. Het derde geval is het meest geheimzinnig, aangezien het niet zonder meer om een platte erkenning van het wereldlijke karakter van politiek gaat, maar uitdrukkelijk een geseculariseerd element bevat: er is nog een verhouding tot een wereld aan gene zijde, zelfs al blijft deze leeg en betreft het een verhouding tot een God die afwezig of zelfs dood is (en dus geen antwoord geeft op onze vragen). Van belang is in ieder geval te erkennen dat deze kwestie niet alleen speelt voor mensen die blijven geloven dat God menselijke vragen beantwoordt (of reeds heeft beantwoord), maar ook voor degenen die ‘niet meer geloven’. De erkenning van het bestaan van res mixtae impliceert in de hedendaagse context het aannemen van politiek–wereldlijke vraagstukken die niet alleen op wereldlijke gronden kunnen worden beoordeeld. Het impliceert evenwel niet dat men al een vaste vorm erkent waarin deze vraagstukken dan beoordeeld moeten worden.

Dubbelzinnige personen

De veronderstelling die aan de term res mixtae ten grondslag ligt, zo zagen we hierboven, is dat er zaken zijn die in twee maatgevende domeinen, in twee verschillende werelden, onder twee onderscheiden aanspraken, vallen. Wat voor zaken geldt, kan ook voor personen gelden. We hebben dan te maken met personae mixtae of personae geminae. Ik geef hier een eerste aanzet tot een typologie van dubbelzinnige personen, dat wil zeggen personen wier karakter, bevoegdheid of optreden op twee wijzen kan worden uitgelegd. Ik volg de weergave van wat over dit onderwerp te vinden is in Ernst Kantorowicz’s beroemde studie The King’s Two Bodies.

Alleen in een wereldbeeld waarin een rangorde bestaat die loopt van het hoogste geestelijke wezen tot aan het laagste stoffelijke bestaan, kunnen dubbelwezens gedacht worden die meer zijn dan metaforen, dat wil zeggen een werkelijkheid belichamen. Het gaat om devote of heilige personen. Dat is het geval wanneer een mens probeert gelijk een engel te zijn – het geestelijke wezen dat in de rangorde net boven de mens staat. Een mens probeert dan in deze wereld en met zijn eigen lichaam het vita angelica van de hemelse wezens te ensceneren, als een engelachtig wezen te leven. [Kantorowicz 1957, 43]

Een belangrijk betekenisveld van de term is de religieus-politieke sfeer, waar geestelijke en wereldlijke machten of bevoegdheden in één persoon verenigd kunnen zijn wanneer iemand op posities in beide instellingen terecht komt: dubbelbenoemingen. Concreet: een bisschop die tegelijk edelman is. En: zich als bisschop aan het celibaat hield, terwijl hij als baron het leven van een gehuwd man voerde. [Kantorowicz 1957, 43] Of in alledaagse taal: iemand draagt een dubbele pet, bekleedt wellicht moeilijk te verenigen functies. Men weet niet in welke hoedanigheid iemand spreekt, of positief geduid: iemand draagt een andere functie mee in zijn huidige (zoals een benoeming qualitate qua).

Alhoewel zeker vanuit de pauselijke leer met zeer veel terughoudendheid werd ook aangenomen dat een koning geestelijke eigenschappen bezat, geen ‘gewoon mens’ was. Ook aan wereldlijke gezagdragers komt een verhevenheid toe in godsdienstige zin van het woord. En ook later zien we in de protestantse leer de vorst verschijnen als duplex persona, saecularis et ecclesiastica. [Kantorowicz 1957, 44 en noot 6] Elders heet het dat een vorst een soort God is, maar dan niet van nature maar door (goddelijke) genade: bij de gratie Gods. [Kantorowicz 1965]

Verwant is de term gemina persona voor de vereniging van twee ‘naturen’ in één persoon. De persoon in kwestie heeft dan een dubbele natuur. Dat was voor de figuur van Christus het geval (God en mens), maar werd in sommige politieke theologieën ook van toepassing verklaard op een vorst. [Kantorowicz 1957, 49] Beide termen komen ook samen voor. In ‘christomimeti­sche’ teksten zijn zowel de koning als de priester personae mixtae (namelijk geestelijk en wereldlijk) en personae geminatae (menselijk van nature en goddelijk door genade). [Kantorowicz 1957, 59]

     De leer van de persona mixta, zoals die rond 1100 bestond, heeft geen directe relatie met de leer van de twee lichamen van de koning zoals die zich later ontwikkelt. In het eerste geval gaat het over geestelijke en wereldlijke bevoegdheden, in het tweede geval om het politieke en het natuurlijke lichaam. Maar beide lijken wel iets met elkaar te maken te hebben. [Kantorowicz 1957, 45] De leer van de twee lichamen veronderstelt in ieder geval dat de vorst zowel het politieke lichaam is (zijn gedragingen zijn de handelingen van de staat) als een natuurlijk lichaam is (en als zodanig zijn zijn gedragingen handelingen van een gewoon menselijk lichaam): “The difficulties of defining the effects as exercised by the body politic – active in the individual king like a deus absconditus – on the royal body natural are obvious.” [Kantorowicz 1957, 12]

In de latere middeleeuwen is het niet zonder meer evident dat de verhouding tussen het politieke lichaam en de koning als het hoofd daarvan als een vereniging of vermenging van twee lichamen wordt gezien. Veeleer wordt de koning onmiddellijk gelijk gesteld met zijn eigen lichaam, dat een corpus separatum is, naast vele andere afzonderlijke lichamen, binnen het grote lichaam van de staat. De koning is alleen het meest vooraanstaande deel van het politieke lichaam, maar niet dit politieke lichaam zelf (tezamen met zijn natuurlijke lichaam). [Kantorowicz 1957, 270]

     Wanneer de functie van de koning meer in verband komt te staan met wetgeving verschuift het idee van vermenging naar het dubbele karakter van de wetgeving: de wet is van oorsprong goddelijk maar in zijn afkondiging menselijk; en omgekeerd is de koning de “bezielde wet” of “Rechtvaardigheid in leven”. De koning was in zijn rechtvaardigheid de plaatsvervanger van God. Deze figuur is niet langer een nabootsing van Christus Koning, maar evenmin reeds de belichaming van een absoluut of goddelijk verklaarde politieke orde, maar staat daar nog tussenin. De koning is een nieuw soort persona mixta: zowel de belichaming als de hoogste gebieder van de godheid Rechtvaardig­heid. [Kantorowicz 1957, 143]

In een minder theologische en een mee juridische omgeving wordt het begrip van de persona gemina eerder uitgedrukt als een samenstel van een persona publica en een privata voluntas – zoals bij John of Salisbury het geval is. [Kantorowicz 1957, 96] Het gaat dan om een scheiding van publiek en privaat persoon. In deze vorm kennen wij de gespleten of in zichzelf onderscheiden mens natuurlijk ook nog. Het publieke of functionele deel van de mens raakt echter steeds meer los van de oude politiek-theologische betekenis van verhevenheid – een hogere plaats in een rangorde, dichter bij de goddelijke sfeer. [Lock 1985]

De actualiteit van de res mixtae

Over de actualiteit van dit begrip valt veel te zeggen: dat zal in de rest van dit boekproject gebeuren. Hier beperk ik mij tot één actualisering. De res mixtae zijn voor Carl Schmitt de zaken die een “afrekening met alle politieke theologie” voorlopig onmogelijk maken, aangezien het bestaan van deze zaken “de vraag wat wereldlijk is en wat geestelijk” levend houden, een vraag die kenmerkend is voor “dit geestelijk-wereldlijke, spiritueel-temporele dubbelwezen mens”. [Schmitt 1970, 107] Tot de res mixtae behoren onder andere die politieke problemen die tevens om een ‘theologische’ beoordeling vragen, en omgekeerd die ‘theologische’ uitspraken die tot een politiek probleem aanleiding kunnen geven. [Wit 1992] In het licht van de christelijke traditie is dit een opmerkelijke stellingname. Augustinus’ leer van de twee rijken is slechts in schijn een oplossing van het probleem, aangezien de beslissing wat met het aardse en wat met het hemelse rijk te maken heeft, een beslissing blijft die door mensen op aarde worden genomen.

Theologische uitspraken zijn alleen binnen een kerkelijke instelling als zodanig omschreven, namelijk als de kerkelijk gerechtvaardigde uitspraken van theologen. Maar op een meer algemeen vlak is niet langer duidelijk wat nu als theologische uitspraak kan gelden – vandaar de aanhalingstekens hiervoor. Ik herinner aan de drie feiten die de Nieuwe Tijd wat betreft de res mixtae voor het politieke denken heeft geschapen: de splijting van de ene christelijke kerk, privatisering van godsdienstige overtuiging en publieke afwezigheid van God. Die drie feiten tezamen impliceren de teloorgang van het interpretatiemonopolie op de goddelijke openbaring. Ik ga ervan uit dat deze teloorgang het historisch pas mogelijk heeft gemaakt de goddelijke openbaring als zodanig irrelevant te vinden.  We stellen vast dat mensen steeds minder geloven dat de beide Testamenten de Openbaring van Gods Woord zijn of dat er wel een goddelijke Openbaring, in welke gedaante dan ook, bestaat. Ik meen evenwel dat dit afnemende geloof niet de oorzaak is geweest voor de drie feiten. Juist het verdwijnen van het interpretatiemonopolie doet de strijd over de juiste interpretatie ontbranden – dat is de strekking van Schmitts opmerking. (Het debat over de vraag of Schmitt zelf als katholiek gelovige, als loyaal kerklid, als theoloog met een bepaalde signatuur, of juist allereerst of zelfs uitsluitend als jurist, als politiek denker, als lid van de NSDAP of wat dan ook sprak, geeft aan dat zijn werk zelf niet getuigt van het bestaan van een dergelijk interpretatiemono­polie. Anders was dit debat nooit ontstaan, dat wil zeggen hadden zijn teksten nooit aanleiding kunnen geven tot zulke verschillende interpretaties.)

De drie genoemde feiten inlijven in de leer van de res mixtae impliceert het volgende. De drie feiten tezamen betekenen dat elke uitspraak dat een zaak niet alleen van wereldlijke maar ook van geestelijke aard is (en dus niet alleen langs wereldlijke weg kan worden behandeld) de uitspraak is van een enkeling die zich op zijn eigen ‘geweten’ moet beroepen, in ieder geval geen publieke gelding aan zijn uitspraak kan verlenen, ook al spreekt hij als lid of als woordvoerder van een van de vele privaat-rechtelijke organisaties die zegt het Woord van God te vertegenwoordigen. De ‘afwezigheid van God’ kan ook betekenen dat iemand zijn uitspraak dat een zaak niet alleen wereldlijk maar ook geestelijk van aard is, alleen kan rechtvaardigen door te verwijzen naar ‘hogere waarden’ – en ook dit als lid of als woordvoerder van organisaties die zeggen deze ‘hogere waarden’ te vertegenwoordigen (of te propageren). Dit laatste ligt in het verlengde van de rechtsregel, volgens welke magis dignum trahit ad se minus dignum (het meerderwaardige trekt het minderwaardige naar zich toe). Door zich te verbinden met iets van hoger waarde kan een zaak of persoon zich verheffen boven zaken of personen die hiermee niet verbonden zijn. [Kantorowicz 1957, 10] Dit is – vrij vertaald naar hedendaagse termen – wat men doet als men ‘prioriteiten’ vastlegt.

In al deze gevallen kan men nog zeggen dat de uitspraken uitdrukking zijn van een of andere vorm van openbaring – dat wil zeggen het wereldkundig maken van de aanspraken van de geestelijke of goddelijke sfeer. Het derde feit kan evenwel nog veel radicaler worden uitgelegd: de enkeling kan zelfs zijn eigen ‘geweten’ niet meer als geestelijk feit rechtvaardi­gen en een lidmaatschap van een geestelijke gemeenschap niet meer als voorafschaduwing van de komst van een Rijk van God ervaren, omdat Gods afwezigheid hem elke houvast ontneemt en hem zelfs verbiedt te fingeren alsof God – in ieder geval voor hem of zijn gemeenschap – wel aanwezig is. Maar toch kan dit geweten nog het teken zijn dat de wereld niet zomaar in zichzelf besloten ligt, ook al verwijst het teken inhoudelijk gezien naar niets. Dit teken verbiedt slechts elke volledige overgave aan de immanentie van de wereld. (Ik denk nu met name aan denkbeelden van Bataille en van Taubes; en voor een hiermee vergelijkbare toepassing in de theorie van de democratie aan de denkbeelden van Lefort. Ongetwijfeld passen hier meer namen.)

In deze gedachtengang schuilen vele haken en ogen. De belangrijkste wil ik kort vermelden. Wat hier dreigt is een omkering van de hierocratische leer: de voorrang van de in geestelijke zaken neutrale wereldlijke macht. Deze laat het geestelijk leven van rechtspersonen (individuele burgers of verenigingen van burgers) vrij in hun geestelijk leven, maar oefent een potestas indirecta in spiritualibus uit waar als zonde geldt het in gevaar brengen van de geestelijke neutraliteit. De wereldlijke macht grijpt in in geestelijke zaken zodra deze tot publieke macht worden en het voortbestaan van de neutrale staat bedreigen. Maar paradoxaal genoeg impliceert dit toch een hoogste waarde (bijvoorbeeld alles moet onderhandelbaar blijven) die zelf niet door de wereldlijke macht belichaamd kan worden – tenzij deze wereldlijke macht eist ook als ‘sterfelijke God’ en als geestelijke macht of als kerk erkend te worden. In dat geval legt men, zoals ook het oogmerk van Thomas Hobbes was, het interpretatiemonopolie op geestelijk gebied bij de wereldlijke macht. Dat Hobbes daarbij niet geheel consequent te werk ging, toont Schmitt aan waar hij aangeeft dat Hobbes tegelijk ruimte laat voor de enkeling die in secret free blijft om te geloven wat zijn geweten hem ingeeft. [Schmitt 1938]

Aangehaalde teksten

  • Barion, Hans (1984), Kirche und Kirchenrecht. Gesammelte Aufsätze, Hrsg. v. W. Böckenförde, Ferdinand Schöningh, Paderborn [bespreking van Saggi storico intorno al Papato dei Professori della Facultà di Storia Ecclesiastica (1960), ‘Potestas indirecta’, ‘Römisch-katholisches Kirchenrecht’ (1966)].
  • Kantorowicz, Ernst H. (1957), The King’s Two Bodies. A Study in Medieval Political Theology, Prince­ton (New Jersey) 19816.
  • Kantorowicz, Ernst H. (1965), ‘Deus per naturam, deus per gratiam: A Note on Mediaeval Political Theology’, in Selected Studies, J.J. Augustin Publisher, Locust Valley (New York).
  • Lock, Grahame (1985), De lichamelijke staat. Rationaliteit en mystiek in de politieke theorie en filosofie, E.J. Brill, Leiden.
  • Schmitt, Carl (1938), Der Leviathan in de Staatslehre des Thomas Hobbes. Sinn und Fehlschlag eines politischen Symbols, Hohenheim, Köln‑Lövenich 1982.
  • Schmitt, Carl (1970), Politische Theologie II. Die Legende von der Erle­digung jeder Poli­tischen Theologie, Berlin 19844.
  • Terpstra, Marin (2009), ‘De politieke theologie van een potestas indirecta’, in: Marcel Becker, Paul van Tongeren (red.), Christelijk Sociaal Denken, Traditie-Actualiteit-Kritiek, Damon, Budel; ook als ‘The Political Theology of a Potestas Indirecta’, in Religion , State and Society. Special Issue: Aspects of Christian Social Thought [ISSN 0963-7494], 41(2013)2, blzn.133-151; ook in gewijzigde versie opgenomen als eerste hoofdstuk in Waarom tolerantie niet de hoogste waarde kan zijn. Over de omgang met heilige zaken, Damon, Eindhoven 2019 (met Theo de Wit).
  • Wit, Theo de (1992), De onontkoombaarheid van de politiek (proefschrift), Pomppers, Ubbergen.

Welcome!

This is popup preview that you can fill with any content you want.

The plugin include some shortcodes, you can read more about them at the bottom of this page. The main 3 sections to configure the popup are:

Appearance: Where you edit the look and feel of the popup.
Display Rules: Here you choose on which page to display the popup (Set to all by default)
Display options: Some important settings about the plugin, being the more important trigger action.