Binnenkort verschijnt bij Noordboek Onderscheid maken. Het geestelijk leven van de maatschappij.
Sedert Socrates zijn gesprekken met burgers voerde, vraagt de filosofie om een bijzondere houding: kijk naar de wereld zoals je die voor de eerste keer zou zien, of naar de maatschappij zoals je die in gedachte zou inrichten wanneer je opnieuw zou willen of kunnen beginnen. Wat doen we dan? Onderscheid maken. Verdelen we bijvoorbeeld de maatschappij in een mannen- en vrouwenwereld of beschouwen we man en vrouw als gelijken, scheiden we een politieke elite van het gewone volk of krijgt ieder een gelijke stem, wat is daar geoorloofd en wat verboden? Deze mogelijkheid om na te denken vanuit een nulgraad, het punt waar de onderscheidingen nog moeten vallen is voor ieder weggelegd die daarvoor tijd en ruimte neemt. Dan ontstaat het geestelijk leven van de maatschappij, dat vervolgens in een spanningsvolle verhouding staat tot de gevestigde maatschappelijke ordeningen en praktijken. In dit boek bespreekt filosoof Marin Terpstra de dynamiek tussen gedachte en maatschappelijke onderscheidingen. Het gaat dan vooral om de vormen waarin onderscheidingen zich aandienen. Wat is de plaats en betekenis van de vrijheid van denken, het bestaan van vrije geesten die uit eigen beweging onderscheidingen maken of niet, gegeven de scheidslijnen die maatschappelijk getrokken worden en een meer of minder bestendige vorm aannemen? En wat is de plaats en betekenis van de vrijheid van denken gegeven de openbaring van een maatgevende orde voor een maatschappij die vastlegt binnen welke grenzen en in welke richting mensen zich mogen bewegen?
Enkele citaten uit het boek:
Maatschappelijke en politieke onderscheidingen stellen grenzen in, meer of minder van denkbeeldige, werkelijke of fysieke aard. Ze betreffen dus ook grensbewaking, grensoverschrijding en stellingname: lokalisering van het eigen bestaan aan één kant van een grens of onderscheiding. De filosoof in mij is geboeid door de mogelijkheid van een altijd denkbeeldige nulgraad van het onderscheiden: een denkbeweging naar een atopische of utopische plaats waar het eerste onderscheid nog moet vallen, en waar deze anders kan uitvallen dan feitelijk het geval is geweest. Het is de denkbeeldige plaats van de almacht van God voordat Hij aan Zijn scheppingsorde begon en nog iets anders kon bedenken dan het opstarten van de beste van alle mogelijke werelden. Het is de denkbeeldige plaats waar nog alles mogelijk is. De mens in mij heeft weet van een bestaan in een reeds geordende wereld.
Maar eigenlijk is de herkomst van de in waarnemen, denken en handelen gemaakte onderscheidingen grotendeels in nevelen gehuld: de nulgraad van het onderscheiden is ontoegankelijk. Maar wie zich aan een grondig zelfonderzoek onderwerpt en zich de gave van het onderscheiden eigen maakt, kan het een en ander over zichzelf en de wereld te weten komen. In de geschiedenis van de mensheid vinden we een grote verscheidenheid aan beschrijvingen van de wereld en het zelf. Al die constructies vooronderstellen een ononderscheiden wereld waarin het maken van een eerste onderscheiding tegelijk zelf een onderscheid is. En wanneer we nadenken over het ontstaan van de wereld met alles wat we daarin aantreffen of wanneer we nadenken over het ontstaan van maatschappelijke verbanden, stoten we op het raadsel van de eerste onderscheidingen. Wat was het verschil dat verschil maakte?
Het onderscheid tussen geestelijk leven en de wereld biedt de mogelijkheid voor twee bewegingen: (1) het verlangen naar geestelijke vrijheid en naar een ruimte waar uitingen van de vrije geest kunnen verschijnen, en (2) de weerstand vanuit de maatschappij tegen uitingen van een vrije geest voor zover deze afwijken van wat maatgevend is. Deze bewegingen roepen vragen op die verband houden met de verschillen in status van onderscheidingen. Wat is de plaats en betekenis van de vrijheid van denken, het bestaan van vrije geesten die uit eigen beweging onderscheidingen maken of niet, gegeven de scheidslijnen die maatschappelijk getrokken worden en een meer of minder bestendige vorm aannemen? En wat is de plaats en betekenis van de vrijheid van denken gegeven de openbaring van een maatgevende orde voor een maatschappij die vastlegt binnen welke grenzen en in welke richting mensen zich mogen bewegen?
De idee van de liberale democratie verwijst naar een politiek stelsel dat zich uitdrukkelijk voedt met het geestelijk leven van mensen, dat wil zeggen vertrekt vanuit burgers die hun mening geven over de bestaande maatschappij. De maatschappelijke werkelijkheid doorkruist dit idee omdat politiek en beleid veelal pragmatisch antwoorden op bestaande problemen of onverwacht optredende crises. Burgers staan erbij en kijken ernaar; een bron van teleurstelling en de neiging zich van de politiek af te wenden. De liberale democratie is een politieke ordening waar men zich rekenschap geeft van het feit dat mensen zich in de maatschappij al of niet thuis voelen. Dat geeft ook meteen het ‘doel’ van de liberale democratie aan: streven naar een wereld waarmee iedereen of de meeste mensen tevreden zijn.
Er is echter veel meer voor nodig om de macht van maatschappelijk of cultureel heersende onderscheidingen (zoals die tussen man en vrouw) te doorbreken. Maar het belangrijkste lijkt mij dat het denken zich richt op de logica van onderscheidingen en allengs ontdekt dat men dan vrij spel heeft. Niets ligt meer vast. Dat roept omgekeerd de vraag op waarom culturen of maatschappijen onderscheidingen toch min of meer vastleggen, en waarom zij vaak met harde hand overschrijdingen bestrijden. Is deze maatschappelijke of politieke intensivering of verscherping van onderscheidingen helemaal ongegrond? Of zijn sommige onderscheidingen wel degelijk van goddelijke, natuurlijke of politiek onvermijdelijke aard – en daarmee onaantastbaar?