Begin 2025 hebben bezorgde burgers (waaronder enkele prominente VVD-leden) een ‘denktank’ opgericht (‘Voor Ons Nederland’) die als inzet heeft de democratie te verdedigen tegen ondermijning. Het dagblad NRC sprak met de oprichters en kopte in de krant van 18 juni 2025: “De nieuwe scheidslijn is democratisch versus antidemocratisch”. Er staan kennelijk twee kampen tegenover elkaar die een verhevigde strijd aangaan. Waarom dat een nieuwe scheidslijn is, blijft onduidelijk. Het begrip ‘democratie’ is altijd al een polemische term geweest, die dient om zich af te zetten tegen ‘antidemocratische’ ideologieën, groeperingen en staten. Betrekkelijk nieuw is wel dat een einde lijkt gekomen aan een bestendige periode in de westerse wereld waarin een bepaalde vorm van democratie vanzelfsprekend was. Wat niet langer onbetwist is, is vooral de inbedding van de democratie in een liberale rechtsstaat. En in die zin gaat het bij deze burgers om een polemische toe-eigening van het begrip ‘democratie’. De zogenaamde antidemocratische beweging als politieke kracht lijkt vooral burgers aan te spreken die zich verzetten tegen institutionele grenzen aan een ongeremde en onmiddellijke volkswil. Wat het volk wil, en wat zijn vertegenwoordigers in beleid vertalen, wordt vanuit dit gezichtspunt tegengewerkt door de instellingen van de rechtsstaat en door de liberale elite die daar de dienst uitmaakt. De lezer herinnert zich vast nog het optreden van minister Faber die van deze idee een theatrale rol maakte. De spanning tussen democratie en liberale rechtsstaat, maar ook die tussen autocratische en liberaal-democratische regimes, is zeker een belangrijk strijdperk op het wereldtoneel. Maar is dat de enige of belangrijkste politieke tegenstelling?
Intensivering van onderscheidingen
Het is opmerkelijk dat liberalen het onderscheid tussen democratie en anti-democratie tot politiek speerpunt maken, aangezien de idee dat politiek draait om de intensivering van onderscheidingen, tegenstellingen of scheidslijnen, afkomstig is van een denker die niet bepaald bekend staat om zijn sympathie voor de liberaal-democratische rechtsstaat. Ik doel op Carl Schmitt en zijn begin jaren dertig van de vorige eeuw verschenen Der Begriff des Politischen. Hij stelt in dat boek dat elke onderscheiding in een maatschappelijke tegenstelling kan veranderen, mensen kan groeperen aan beide kanten van een scheidslijn, met als uiterste gevolg dat zij in een gewelddadige strijd belanden die zal uitlopen op een nieuwe en (tijdelijk) evenwichtige ordening van de onderscheiden kanten. Dit is wat hij schrijft: “Iedere religieuze, morele, economische, etnische of andere tegenstelling verandert in een politieke wanneer ze sterk genoeg is om de mensen effectief als vriend en vijand te groeperen.” (Schmitt 2019, 47) In dit licht is de vraag van belang of inderdaad de scheidslijn tussen voor- en tegenstanders van ‘de’ democratie het grote strijdpunt van vandaag is. Of zijn er wellicht andere tegenstellingen die richting maatschappelijke spanningen en zelfs politieke strijd gaan?
Belangrijk voorbeeld voor Schmitt zijn de godsdienstoorlogen in de zestiende en zeventiende eeuw die zijn uitgelopen op een politieke vrede, waarbij de staat als religieus neutrale instantie naar voren treedt en de strijdende partijen zich in de ‘private sfeer’ terugtrekken, dat wil zeggen de strijdbijl begraven. We zijn overigens nog steeds niet verlost van het spanningsveld rond godsdienst, mede omdat de neutraliteit van een religieus onpartijdige staat door de ongodsdienstigheid van de meerderheid van de burgers van karakter is veranderd. Een overheid die zich dan in naam van neutraliteit tegen godsdienstige uitingen in de publieke ruimte keert, lijkt dan eerder voor die meerderheid partij te kiezen. Dat is een ander voorbeeld van hoe een ‘volkswil’ zich tegen de rechtsstaat keert (die vrijheid van godsdienst waarborgt). De strijd laait op waar godsdienstige groepen hun ‘private gestalte’ niet aanvaarden en een publieke of zelfs politieke status opeisen, maar ook waar een ongodsdienstige meerderheid de godsdienstige minderheid niet langer tolereert. Godsdienst of godsdienstkritiek wordt dan gepolitiseerd, of zoals dat in neutraliserende taal heet: geradicaliseerd. Maar elk ander onderscheid kan de rol van politieke tegenstelling op zich nemen. Ik zal er enkele de revue laten passeren.
Kapitaal en arbeid
De oude tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, die het politieke toneel in de negentiende en twintigste eeuw beheerst, komt vandaag niet meer in aanmerking voor politisering. Dit onderscheid weet mensen niet meer te groeperen in strijdbare maatschappelijke vormen (vakbonden, kartels, politieke partijen enzovoort), maar beperkt zich tot de scheidslijnen in de schermutselingen bij onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden of onenigheid in ondernemingsraden – een enkele staking uitgezonderd. We zien een teloorgang van traditionele linkse partijen die de werkende klassen politiek vertegenwoordigen. De tijd dat het onderscheid politieke betekenis kreeg op wereldschaal, een strijd tussen ‘kapitalistische’ en ‘communistische’ staten, is al lang voorbij. De maatschappelijke en politieke strijd is in werkelijkheid omgeslagen naar voortdurende spanningen in ‘massademocratieën’ tussen de verwachtingen van mensen en de al of niet democratisch gekozen bewindvoerders die aan die verwachtingen moeten voldoen. Deze hoge verwachtingen kunnen leiden tot politieke eisen die gegeven de schaarste op onze planeet aan voedsel, ruimte en grondstoffen in een onverbiddelijke strijd om de toegang tot levensvoorwaarden kan omslaan (Kondylis 1992).
Het idee van de ‘klassenstrijd’ (zowel de strijd voor de emancipatie van de arbeidende bevolking als de strijd die maatschappelijke en politieke vormen van een burgeroorlog aanneemt) is met het marxisme verloren gegaan. En daarmee ook het belang van het onderscheid tussen een emancipatorisch-reformistische en een militant-revolutionaire arbeidersbeweging, waarbij de eerste de maatschappij als zodanig aanvaardt maar de eigen positie daarin wil verbeteren, en de tweede de verbetering van de positie verbindt met een omverwerping van de kapitalistische maatschappelijke en politieke orde. Uiteraard is aan ongelijkheid geen einde gekomen. Een algemene idee van de maatschappelijke en politieke negativiteit is bewaard gebleven en daarmee de mogelijkheid dat nieuwe maatschappelijke tegenstellingen politieke vormen aannemen. Met Rancière kan men menen dat zich telkens weer een nieuw ‘volk’ aandient, bestaande uit mensen die in de werkelijke maatschappij zijn uitgesloten en niet in de politieke hegemonie en haar interpretatiemonopolie zijn opgenomen. Telkens wanneer een negatie is opgeheven en geïntegreerd, dient zich weer een nieuwe negatie aan (Rancière 1995). Dit begrip van negativiteit verwijst naar de verdringing in een maatschappelijke en politieke orde van het bestaan van ‘het andere’ dat niettemin aanwezig is, en dus in de geest en de taal van die orde niet of nauwelijks of alleen in negatieve zin vertegenwoordigd is. Om met Antonio Gramsci te spreken: de strijd gaat over de hegemonie die niet alleen naar economische en politieke macht verwijst, maar ook en bovenal naar culturele of geestelijke macht: het heersende spreken of interpretatiemonopolie dat bepaalt hoe een maatschappij zichzelf beschrijft en hoe mensen zichzelf en hun rol moeten denken (identiteiten). Maar men kan vermoeden dat deze ‘wet van de negativiteit’ meer wensdroom is, dan politieke werkelijkheid.
West en oost
Er dienen zich andere onderscheidingen aan, waarvan de belangrijkste een terugkeer van een aloude tegenstelling betreft: de machtsstrijd tussen politieke eenheden, doorgaans nationale staten of grote rijken. De symbolische tegenstelling tussen west en oost is hiervan één voorbeeld. De politieke machtsaanspraken kunnen botsen en de grenzen overschrijden die in internationale afspraken en rechtsnormen zijn vastgelegd, die de onderlinge omgang van de betrokken partijen regelen. Politieke machten zijn niet tevreden met hun eigen grondgebied en wanneer ze sterk genoeg zijn breiden ze dit grondgebied uit, ofwel door hun invloedssfeer te vergroten, ofwel door terrein te veroveren en de plaatselijke bevolking te onderwerpen, te verdrijven of (deels) uit te moorden. Het wereldnieuws staat bol van dergelijke grensoverschrijdingen. Wat ons eigen politieke bestaan betreft, lijkt een oude tegenstelling nieuw leven te zijn ingeblazen, mede als gevolg van de verscherping van andere onderscheidingen, waarover hierna meer, en wel die tussen het Angelsaksische westen en het Russische oosten tussen welke Europa ligt ingeklemd (alhoewel Groot-Brittannië vooralsnog weer de kant van het vasteland lijkt te kiezen). Ruim een eeuw geleden, tijdens de Eerste Wereldoorlog, schreef Max Weber: “De wereld die na ons komt zal Zwitsers, Denen, Nederlanders, Noren niet ter verantwoording roepen over de vormgeving van de beschaving op deze aarde. Zij zullen niet de verwijten krijgen wanneer op de westelijke helft van onze planeet niets anders meer bestaat dan de Angelsaksische spelregels en de Russische bureaucratie. En terecht, want de Zwitsers, Nederlanders of Denen kunnen dat niet verhinderen. Wij echter wel. Een volk van zeventig miljoen mensen tussen machten die de wereld willen veroveren heeft de plicht om een machtige staat te vormen” (Weber 1994, 94). Inmiddels ligt deze zware last gelukkig niet meer alleen op de schouders van Duitsland, maar kan deze worden gedragen door de 27 lidstaten van de EU (zij het niet zonder morren).
De strijd rond seksualiteit
Maar laten we ook kijken naar enkele nieuwe strijdpunten die zich de afgelopen decennia hebben aangediend. Het onderscheid tussen man en vrouw, verbonden met het onderscheid tussen heteroseksualiteit en homoseksualiteit, of met de algehele problematiek van een maatgevende heteroseksualiteit, heeft weliswaar tot vormen van strijd gevoerd en allerlei emancipatoire bewegingen in het leven geroepen, maar is nooit tot een werkelijke politieke tegenstelling verscherpt. Dat is te verklaren uit het feit dat ‘seksualiteit’ (de ervaring, beleving en uiting van de eigen ‘sekse’ of ‘gender’) voor een belangrijk deel een private, geen publieke of politieke zaak is. Men zegt dan dat ‘het persoonlijke politiek is’, maar de vraag blijft dan wat hier ‘politiek’ betekent. Seksualiteit betreft verlangens naar vormen van verbinding tussen mensen, hoezeer onderlinge verschillen ook tot spanningen kunnen leiden. Dat maakt het onwaarschijnlijk of zelfs onmogelijk dat mannen en vrouwen, of hetero’s en homo’s, of andere seksuele identiteiten, zich als solidaire groepen ordenen en een openlijke strijd aangaan. Bovendien gaat het in deze emancipatoire bewegingen vooral om een problematisering van strikte onderscheidingen of zelfs om een volledige neutralisering: seksueel gerelateerde onderscheidingen zouden geen rol mogen spelen in maatschappelijke selectiemechanismen.
Matigende krachten lijken niet te werken bij de omgekeerde tendens, die zich voordoet wanneer zich een maatschappelijke en zelfs politieke beweging breed maakt die de maatgevende orde van heteroseksualiteit wil herstellen nadat deze door emancipatoire bewegingen is ondergraven en vaak uit wetgeving is verdreven (gelijke rechten, gelijke behandeling, niet-discriminatie, diversiteit, inclusiviteit enzovoort). De maatgevende orde van heteroseksualiteit geeft mannen en vrouwen onderscheiden maatschappelijke rollen, of verdeelt mannen en vrouwen zelfs over twee domeinen: maatschappelijke en ‘private’ rollen, en sluit andere aan seksualiteit verbonden identiteiten uit. Deze tegenbeweging is aanmerkelijk politieker van aard aangezien ze kan bogen op een ‘rechtvaardiging door de geschiedenis’: heteroseksuele mannen die de maatschappij uitmaken, vrouwen, homoseksuele mannen en wat er nog meer is aan seksuele identiteiten die daarvan zijn uitgesloten. De emancipatoire beweging is in die zin politiek zwak, omdat ze niet streeft naar een verdrijving van ‘echte mannen’ uit de maatschappelijke en politieke orde, maar naar gelijke behandeling – waardoor mensen die willen vasthouden aan het maatgevende karakter van ‘traditionele’ heteroseksualiteit zich kunnen handhaven. De bestrijding van ‘grensoverschrijdend’ gedrag kent weliswaar een bepaalde mate van uitsluiting van al te opdringerige mensen, doorgaans mannen, maar dit blijven incidenten en neemt niet de vorm aan van een politieke strijd. Omgekeerd lijkt de tegenbeweging een andere taal en een andere strategie te kiezen, en schrikt niet terug voor ‘het terugdraaien van de klok’ (van wat de tegenpartij als morele vooruitgang ziet) en het daadwerkelijk buiten het recht plaatsen van groepen mensen.
Eigen volk en vreemdelingen
Een onderscheid dat inmiddels aan politiek gewicht gewonnen heeft en zelfs gewelddadige vormen begint aan te nemen is het verschil in geboorteplaats. Het woord ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’ is weliswaar (in bepaalde kringen) taboe verklaard, maar wijst niettemin op een werkelijk onderscheid, een verschil dat vervolgens politiek verschil kan maken. De Nederlandse grondwet laat in artikel 2 de mogelijkheid aan de volksvertegenwoordiging en dus aan een eenvoudige meerderheid om de begrippen ‘Nederlander’ en ‘vreemdeling’ (en dus het onderscheid tussen eigen en vreemd) te operationaliseren. Meer algemeen is het mogelijk dat de betekenis die gehecht wordt aan geboorteplaats maatschappelijke en politieke vormen aanneemt, die ervoor zorgen dat mensen aan één kant van een scheidslijn komen te staan en dit gevolgen heeft voor hun bestaansmogelijkheden. Het idee van ‘mensenrechten’ neutraliseert dit onderscheid weliswaar, maar leidt tot een nieuw onderscheid tussen een groep die voor ‘mensenrechten’ en een groep die voor de rechten van nationale staten optreedt (Terpstra 2020). De eerste groep heeft, net zoals in de kwestie van seksualiteit, weinig aandrang tot politisering, aangezien de inzet juist neutralisering is. De tweede groep daarentegen voert een dubbele strijd: tegen ‘buitenlanders’ (migranten) en tegen ‘mensenrechten’ (of rechtsstaat).
De strijd gaat over de politieke status van nationale grenzen (die geboorteplaats en woonplaats een politieke betekenis geven), over zelfbeschikking van ‘een volk’ en over het beheer van grensbewaking. De uitersten zijn een grenzeloze wereldmaatschappij met vrij verkeer van mensen, goederen, diensten en boodschappen en een wereld van door grenzen onderscheiden en afgescheiden nationale eenheden die soeverein zijn wat betreft hun bevolkingspolitiek, en dus in het uiterste geval ieder mens die niet in het land is geboren kan uitwijzen (Böckelmann, 2007; 2017). Het verschil tussen generaties is hier van belang: hoe lang gaat men terug om te bepalen of iemand recht heeft in een land te leven op grond van ‘nativiteit’, welke mensen gelden als ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’? We zien gebeuren dat mensen die zelf een migratieachtergrond hebben zich scherp verzetten tegen nieuwe stromen van migratie – blijkbaar zonder te beseffen dat de grens kan verschuiven. Het soevereine recht van een nationale staat zelf te beslissen welke mensen gerechtigd zijn op het grondgebied te verblijven (in welke vorm dan ook), laat alle mogelijkheden open, en hangt dus in belangrijke mate af van de stemming onder de burgers zelf en de afspiegeling daarvan in de volksvertegenwoordiging of in het politieke bewind dat de macht uitoefent. De beslissende politieke vraag is hier dan wat het recht van een volk op zelfbepaling inhoudt: hoe beschrijven mensen zichzelf en anderen, en welke maatschappelijke en politieke gevolgen verbinden ze daaraan?
Economie en ecologie
Een ander mogelijk politiek onderscheid is dat tussen ‘maatschappij’ en ‘natuur’ – de aarde en alles wat op en boven het aardoppervlak gebeurt, de gevolgen daarvan voor de leefomgeving van mensen, en algemeen de mogelijkheidsvoorwaarden van leven op aarde. Dit onderscheid verschijnt vooral in een spanning of tegenstelling tussen een economisch en een ecologisch politiek denken. Net zoals de strijd rond de heteroseksuele maatgevende orde, heeft ook dit onderscheid slechts in beperkte mate de vorm van een politieke tegenstelling aangenomen. Hier heeft dat vooral te maken met het feit dat ‘natuurlijke’ verschijnselen vooral als maatschappelijke problemen worden gethematiseerd, en het ecologische denken doorgaans vertaald wordt in economische termen gekoppeld aan technologische mogelijkheden. Het probleem van de leefomgeving, of dramatischer de bedreiging van de mogelijkheidsvoorwaarden van leven op de planeet aarde, is weliswaar erkend, maar heeft de hegemonie van de maatschappij en van het economisch denken niet doorbroken.
Het onderscheid heeft mensen niet zodanig weten te mobiliseren dat er een politieke strijd ontstaat tussen de partij die de maatschappij als economische werkelijkheid voorstaat en de partij die de aarde als ecologische werkelijkheid representeert. Er zijn actiegroepen en wetenschappelijke gemeenschappen die duidelijk stelling nemen, maar niet bereid zijn figuurlijk of daadwerkelijk de wapens op te pakken. Dat is niet verwonderlijk, want tenslotte gaat het om (over)leven. De strijd beperkt zich dan ook tot ethische, wetenschappelijke, economische en juridische activiteiten. Die kunnen een bijdrage leveren aan het oplossen van het probleem, vooral middels internationale verdragen, zoals dat ook het geval is geweest met andere emancipatiebewegingen die de maatschappij hebben hervormd zonder de eigenlijke ‘kapitalistische’ of ‘heteroseksuele’ ordening omver te werpen.
Overigens lijkt zich in dit verband een nieuwe tegenstelling af te tekenen: die tussen technologie en wetenschap. Zijn deze lang verbonden geweest als ‘theorie’ en ‘toepassing’, zo lijkt de technologie zich steeds meer te verzelfstandigen en te worden toegeëigend door een politieke beweging die zich tegelijk keert tegen de wetenschap. We zien bij de grootmachten in de wereld een sterk verbond van magnaten in de technologische industrie en nationalistische politiek die niets moeten hebben van oude Verlichtingsidealen. Lange tijd werd het samengaan van antimoderne bewegingen en technologie (denk aan moslimterroristen) als een tegenspraak gezien, maar inmiddels bedienen aanhangers van samenzweringstheorieën zich van de nieuwste technologie om wetenschappers te kunnen verketteren. Ook hier had Carl Schmitt een vooruitziende blik: “Het proces van de doorgaande neutralisering van de verschillende gebieden van het culturele leven is voltooid omdat het bij de techniek is aangeland. De techniek is geen neutrale bodem meer in de zin van het neutraliseringsproces, en iedere krachtige politiek zal zich ervan bedienen. Men kan daarom de huidige eeuw alleen maar provisorisch in geestelijke zin als technische eeuw kwalificeren. De uiteindelijke betekenis komt pas aan de oppervlakte als blijkt welke soort politiek sterk genoeg is zich van de nieuwe techniek meester te maken en welke de eigenlijke vriend-vijandgroeperingen zijn die op de nieuwe bodem ontstaan.” (Schmitt 2019, 109)
Aansluiting en afsluiting
Ten slotte is de maatschappij als zodanig een onderscheid en wel voor zover ze omgeving is voor levende, handelende en denkende mensen, een omgeving waarvan ze dermate afhankelijk zijn dat leven buiten de maatschappij (in de ‘vrije natuur’) niet of nauwelijks mogelijk is. Het beslissende onderscheid is hier aansluiting en afsluiting, waarbij voor het overgrote deel aansluiting bemiddeld is door geld. Men moet aangesloten zijn op de maatschappij om aan geld te komen, zodat men daarmee voor eigen genot van maatschappelijke ordeningen en praktijken gebruik kan maken. De vraag is: heeft men een baan, een huis, een levensgezel, opleidingsmogelijkheden, gezondheidszorg en dergelijke – of niet? Aansluiting betekent toegang hebben tot de maatschappij, uitsluiting of afsluiting betekent dat men geen deel uitmaakt van de maatschappij en dus zichzelf moet redden. Weliswaar ontstaan tussen de gevestigde maatschappij en mensen die uitgesloten zijn allerlei sociale vormen die nieuwe, zij het bescheiden, levensvoorwaarden scheppen (hulpvaardigheid van medemensen, publieke bijstand, schaduwmarkten, criminaliteit enzovoort), maar het is duidelijk dat de ‘wereldmaatschappij’ een grote massa ontheemden voortbrengt. Dat gebeurt door het geweld van politieke conflicten, het falen van maatschappelijke ordeningen, overbevolking, en het onleefbaar worden van bepaalde gebieden. We hebben te maken met ‘overtollige’ mensen, die eerder een probleem opwerpen omdat ze het normale functioneren van een maatschappij kunnen verstoren, dan dat ze een politieke bedreiging vormen. Hun bestaan is in het licht van de universele verklaring van de mensenrechten uiteraard een morele aanklacht tegen de gevestigde maatschappij. Het is echter onwaarschijnlijk of zelfs onmogelijk dat deze mensen zich politiek organiseren, aangezien voor politieke weerstand of een intensivering van dit onderscheid allereerst maatschappelijke vormen nodig zijn. De ontheemde of overtollige mensen kunnen voor overlast zorgen, maar geen politieke kracht worden.
De politieke wil om te vechten voor ‘de goede zaak’
Tot zover een overzicht van wat volgens mij de belangrijkste politieke tegenstellingen zijn. Dat alles levert ons een kleine correctie op van de stelling van Schmitt volgens wie elk onderscheid tot een maatschappelijke en uiteindelijk politieke tegenstelling kan worden. Het ene onderscheid lijkt zich daar beter voor te lenen dan een ander onderscheid. Een belangrijke voorwaarde voor de omzetting van een onderscheid tot een politieke tegenstelling (een groepering van mensen in bondgenoten en vijanden) is dat de beide kanten van het onderscheid daadwerkelijk een maatschappelijke vorm hebben aangenomen, die associatie en dissociatie mogelijk maakt, zoals het geval is met geloofsgemeenschappen, economische klassen, of groepen met een duidelijk onderscheiden identiteit. Het verklaart wellicht mede waarom ‘linkse’ politieke bewegingen het verliezen van ‘rechtse’ politieke machtsvorming. Links draait om oppositie tegen een gevestigde maatschappij in naam van onderscheidingen die geen duidelijke maatschappelijke groeperingen vormen die tegenover elkaar staan. Rechts is veel beter in staat een ‘wij’ te construeren dat tegenover een ‘zij’ staat, en doet zo meer recht aan de oude politieke wet dat mensen geneigd zijn te gehoorzamen aan een macht die hen (beter) beschermt. Mensen volgen hun overlevingsinstinct en kiezen voor leiders die hen kunnen associëren en dissociëren in groepen met duidelijke identiteiten, zodat men weet wie men kan vertrouwen en wie een bedreiging vormt. Dit alles hangt af van de politieke wil om in de politieke strijd voor de eigen zaak vechten. En om terug te komen op de politieke tegenstelling tussen democratie en anti-democratie: welk van beide kanten zal het meest in staat en bereid zijn zich in de strijd te werpen en mogelijk zelfs tot het uiterste te gaan? De verdedigers van de liberale democratie hebben doorgaans deze consequentie van de politieke strijd niet helemaal scherp voor ogen – en laten zich vervolgens overdonderen door autocratische en wederrechtelijke politiek. Of geloven zij dat de ‘zachte krachten’ het uiteindelijk zullen winnen?
Bronnen
- Frank Böckelmann, Die Welt als Ort. Erkundungen im entgrenzten Dasein, Karolinger/Alpheus, Wien/Leipzig/Berlin 2007; Jargon der Weltoffenheit. Was sind unsere Werte noch wert?, Edition Sonderwege, Lüdinghausen/Berlin 2017.
- Panajotis Kondylis, ‘Was war der Kommunismus?’, in Planetarische Politik nach dem Kalten Krieg, Akademie Verlag, Berlijn 1992, 121-138.
- Jacques Rancière, La mésentente. Politique et philosophie, Galilée, Parijs 1995.
- Carl Schmitt, Het begrip politiek (1932), Boom Klassiek/Parrèsia, Amsterdam 2019.
- Marin Terpstra, ‘De enscenering van verzet tegen een wereldmaatschappij: Een analyse van (a)symmetrische onderscheidingen’, in Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte (ANTW), 112(2020)2, 113-136.
- Marin Terpstra, Der Intensitätsgrad des Unterscheidens. Versuch über Carl Schmitts Begriff des Politischen im Lichte einer philosophischen Theorie der Unterscheidungen, Königshausen & Neumann, Würzburg 2026.
- Max Weber, Rede über “Deutschlands weltpolitische Lage”, 27 oktober 1916 (geciteerd in Wolfgang Schluchter, ‘Nachwort’, in Wissenschaft als Beruf 1917/1919, Politik als Beruf 1919 [Studienausgabe der Max Weber-Gesamtausgabe Band I/17], J.C.B. Mohr [Paul Siebeck], Tübingen 1994.