Godsdienstfilosofische aantekeningen ter voorbereiding van een college (5 – 13 augustus 2003)
I
Toen ik in Nijmegen kwam wonen aan het eind van de jaren vijftig belandde ik met het gezin waartoe ik behoorde in een nieuwbouwwijk in de destijds meest zuidelijke rand van de stad, Grootstal. Later zijn daar Hatert en Dukenberg en al die andere wijken bijgekomen. De nieuwe wijk was ruim opgezet. Ongeveer in het midden van deze wijk stond de kerk, aanvankelijk een noodkerk van hout – waarin de wierookgeuren goed bleven hangen en de Latijnse missen extra mysterieus klonken. Een nieuw kerkgebouw was gerechtvaardigd, aangezien de belendende kerk niet twee wijken kon bevatten. In de eerste helft van de jaren zestig verscheen – als teken van de tijd – een hypermoderne ‘fabriekshal’ met een aparte toren (vier betonblokken die hoog de lucht in prijkten). Alleen de naam herinnerde nog aan de traditie: de Verrijzeniskerk. Destijds was deze kerk – uiteraard vooral op zondag – het middelpunt van de wijk, waarnaar de mensen uit de wijk toestroomden om na afloop van de mis weer huiswaarts te keren. De kerk was de plaats waar de wijkbewoners – niet alle: er zullen protestanten en ongelovigen hebben gewoond – samenkwamen. De kerk was een sociaal centrum. In de jaren negentig is de Verrijzeniskerk afgebroken. Er kwam een bejaardencomplex voor in de plaats. De kerk in de belendende wijk bood blijkbaar weer genoeg plaats voor de gelovigen uit meerdere stadsdelen.
Dit deel van het verhaal is uiteraard nog niet zo persoonlijk, maar veeleer een voorbeeld van wat zich van de jaren vijftig tot het einde van de twintigste eeuw in heel katholiek Nederland heeft afgespeeld. Persoonlijk is dat ik de ‘neergang’ voor een deel heb meegemaakt. De kerk was overal of nagenoeg overal, niet alleen omdat ze in het centrum stond en daar de wijkbewoners aantrok en weer afstootte, maar ook omdat ze het sociale leven, de opvoeding en het onderwijs mee bepaalden. Terwijl mijn zoon, toen hij een jaar of acht was, zelf besloot de Heilige Communie te ontvangen, samen met zes andere kinderen uit verschillende delen van Nijmegen en als enige van zijn school, was dit godsdienstig ritueel in mijn tijd een vanzelfsprekende sociale gebeurtenis waaraan (voor zover ik mij herinner) niemand zich onttrok en die zich dan ook in het volle sociale leven voltrok. Datzelfde gold ook later voor andere plechtigheden en wat mij betreft in ieder geval zolang ik op de lagere school (basisschool) zat. Daarna, maar dan is het al 1966 en is de kerk in beweging, vlakt dat af. Op de middelbare school (VWO) was er nog enkele jaren godsdienstles en op de katholieke school waar ik zat liepen nog paters rond – het was ook een kostschool. Maar ook dat verdween in de loop van de jaren zestig: de godsdienstleraar bedacht samen met de leraar aardrijkskunde een vorm van projectonderwijs dat meer weg had van maatschappijleer. Die vervanging was nog wel symbolisch: naarmate het sociale karakter van de godsdienst wegebt, maakt zij plaats voor vormen van wereldlijke moraal.
Ik keer terug naar de parochie en naar de nieuwerwetse kerk. De opening daarvan viel in de tijd van het Vaticaans Concilie en daarmee van de modernisering van de kerk. De kerk opende de poorten voor de gewone wereld en ging een concurrentie aan die zij nooit kon winnen. De diensten werden in het Nederlands opgedragen (waarmee een deel van het mysterie al verloren ging), maar het verschijnsel ‘beatmis’ spande de kroon. Het is hier dat ik ben afgehaakt, hetgeen paradoxaal mag heten: juist de poging om jongeren aan te spreken door meer aan te sluiten bij de nieuwerwetse verleidingen van de amerikaniserende wereld stootte deze jongeren af. Het beatkoor kon niet op tegen Bob Dylan zelf.
Ik kan mij niet herinneren ooit ‘gelovig’ te zijn geweest. Er was een kerk: dat was sociale werkelijkheid. Maar of er een God is en wat ik daarmee te maken had: ik weet niet of mij dat ooit persoonlijk geraakt heeft. De verhalen, sacramenten en rituelen maakten deel uit van de sociale omgeving en daarvan was ik vanzelfsprekend lid, maar een religieus innerlijk leven dat daarbij aansloot bezat ik niet. Wel heb ik een tijdlang, zo rond mijn elfde hevig gebeden. Ik verwachtte door bijzonder braaf of vroom gedrag een verbetering in mijn leven af te dwingen, maar van dit magische geloof was ik snel genezen. Wel verscheen er aan het eind van de jaren zestig een jonge kapelaan die de pubers, die tot ongenoegen van de (waarschijnlijk zelf al hevig twijfelende) ouders al lang niet meer ter kerke gingen, weer een plaats in de katholieke wereld te geven. Tussen de tien en vijftien jeugdigen kwamen op zijn initiatief bijeen in de kelder van de kerk, onder de consistorie, waar allerlei oude attributen uit de noodkerk werden bewaard. In die kelder waren we op zoek – middels gesprekken, sessies, happenings en wat al niet meer – naar wat ons nog aansprak in de sfeer van het religieuze.
Kortom, wat gebeurt was, kan zo worden uitgedrukt: uit angst kerkleden te verliezen of in de hoop jonge parochieleden te behouden, paste de kerk zich aan aan nieuwerwetse uitingen, maar dit gebaar was een erkenning dat de instemming van de gelovigen er iets toe deed. Als een klantvriendelijke onderneming vandaag de dag, zag de kerk in dat ze een product moest leveren dat aansloot bij verwachtingen of wensen van mensen. Maar dat betekende omgekeerd dat deze gelovigen konden menen dat alleen dat van betekenis of belang was, dat ieder van hen aansprak. De vanzelfsprekendheid van de sociale werkelijkheid die de kerk, als kern van de katholieke zuil, was, moest plaats maken voor de noodzaak de kerk aansprekend te maken. De kapelaan die zich hiervoor inspande kwam in grote problemen terecht: waar moest hij de grens stellen in zijn ‘klantvriendelijkheid’? Wat paste nog wel en wat niet meer binnen de katholieke wanden van de kelder onder de kerk? Allengs werd duidelijk dat hij er niet ‘voor ons’ was, maar voor de kerk, en dat ‘onze plaats’ erbuiten was.
In nog geen vijftien jaar tijd van mijn kinder- en jeugdjaren was de kerk van vanzelfsprekende sociale werkelijkheid, die geenszins hoefde te beantwoorden aan ‘persoonlijke religieuze ervaringen’ verandert in een ruimte waar mensen ‘persoonlijke religieuze ervaringen’ konden uiten, die echter ook elders of helemaal niet geuit konden worden. De vanzelfsprekendheid van de samenkomst van mensen in dit sociale centrum is in korte tijd verdwenen. Ik persoonlijk zit niet met vragen ‘over God’. Ik ben ook geen theologie gaan studeren, maar – na enige omzwervingen – filosofie. De godsdienst heeft echter altijd mijn belangstelling gehouden, maar dan zoals ze in mijn ervaring was: een sociale werkelijkheid die in enkele decennia is ineengestort. Mijn ervaring van en daarmee mijn denken over godsdienst heeft hierop betrekking – en pas indirect met de voorstellingen en verhalen die met die kerk verbonden zijn. Het spreekt voor zich dat ik een ‘katholieke’ opvoeding heb gehad en aldus deel in de ‘katholieke zedelijkheid’ – of die nu instemmend is of afwijzend. Overigens heb ik de katholieke zuil nooit verlaten (ik studeerde aan de KUN en werk er sedertdien) en ben dus terecht opgenomen in het overzicht van de Katholieke Filosofie in Nederland en Vlaanderen door Cees Struyker Boudier.
II
Wat ik heb meegemaakt is het proces van ontkerkelijking en ontzuiling. Is dat een religieus of een godsdienstig verschijnsel, of alleen een sociale ontwikkeling die de religie of godsdienst zelf niet hoeft te raken? Wie een persoonlijke verhouding met God of het goddelijke heeft, kan zonder kerk of sociale gemeenschap van gelovigen – hoe prettig het verder ook is om met gelijkgestemden om te gaan. Maar ontkerkelijking of ontzuiling (of het bredere proces van onttovering en secularisatie) hoeft zo iemand niet te raken. Voor wie godsdienst allereerst een sociale werkelijkheid was, is dit proces evenwel ingrijpender aangezien het wezen van de godsdienst hier wordt aangetast. Wat mij interesseert zijn de maatschappelijke en politieke veranderingen die te maken hebben met het verdwijnen van de godsdienst of de religie uit het openbare leven. In strikte zin is dàt godsdienstfilosofie. De meeste godsdienstfilosofen in Nederland houden zich overigens bezig met filosofische godsleer. De politiek-maatschappelijke ontwikkeling betreft veeleer wat Marcel Gauchet de “uittocht uit de religie” heeft genoemd en waarvan hij heeft proberen aan tonen dat deze uittocht uit de religie zelf is voortgekomen, in het bijzonder uit de religie van het christendom. Die stelling sluit wel aan bij wat ik heb meegemaakt: het was de kerk zelf die de deuren en ramen open zette, waardoorheen de gelovigen vervolgens vertrokken om dat ten volle te genieten wat de kerk slechts mondjesmaat wilde toelaten. Maar meer in het algemeen kenmerkt het christendom zich reeds eeuwenlang door een strijd tussen institutionalisering (rangorde, autoriteit, dwang enzovoort) en een hang naar een persoonlijk religieus leven (democratisering van de godsdienst). Een moderne kerk zou een compromis tussen beide moeten zijn, maar de vraag is of dat mogelijk is en of de strijd niet onvermijdelijk blijft (totdat een van beide ten onder gaat). Strikt genomen is dat de vraag die het woord godsdienst oproept: een dienst aan God vraagt om gehoorzaamheid, maar kan ook verwijzen naar een eredienst die men vrijwillig en uit dankbaarheid aanbiedt.
Het is mogelijk dat de godsdienst verdwijnt, zoals ze ooit verschenen is. Het is niet bij voorbaat vanzelfsprekend dat godsdienst onvermijdelijk en noodzakelijk in het menselijk bestaan – persoonlijk of in gezamenlijkheid – een plaats heeft. Waarom zou dat zo moeten zijn? De beslissende vraag van de godsdienstfilosofie zou dan ook moeten zijn: waarom is er godsdienst en waarom zou godsdienst blijven bestaan? En als godsdienst blijft bestaan, in welke vorm zou ze dan kunnen of moeten bestaan in de wereld zoals we die nu kennen?
Uiteraard is het ‘terugdringen’ (retrospectief gezien) van de godsdienst naar de sfeer van het persoonlijke leven in overeenstemming met een moderne samenleving: neutrale overheid, vrijheid, democratie, zelfontplooiing enzovoort. Maar dan blijft de vraag of in dit persoonlijk leven – dat toch het openbare, maatschappelijke en politieke leven mede blijft bepalen – godsdienst een plaats zou moeten hebben (als zedelijke of levensbeschouwelijke grondslag). Wanneer we aannemen dat de godsdienst ooit deze maatschappelijke en politieke rol vervulde, kan men de vraag stellen hoe het met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid verder moet wanneer de godsdienst die rol niet meer speelt. Veelal conservatieve gelovigen maken zich ernstige zorgen op dit punt – analoog aan de beweegredenen van Varro tot herstel van de theologia politikē. Deze zorg wordt scherp verwoordt door de schrijver van apocalyptische bestsellers, Hal Lindsey – of beter, in een aankondiging van een van zijn producten op de website van Armageddon Books:
“America was founded by men who were totally influenced by the Bible and Christian ethics. All of the precepts of the Declaration of Independence and the Constitution are based on the assumption that God is supreme over the affairs of man and His laws are the absolute basis of justice. America flourished because of this for over 180 years. But when the Supreme Court began to re-interpret the original laws so that God was forced out of our schools and out of our public consciousness, the United States began a steady decline.
This video will show that America will not survive if there is not a return to the original thinking of its founders. Even our economic system is built on the assumption that the average citizen would be honest and ethical in his dealings. We can see today how our economics are failing, because without God in our public consciousness, there is no longer a common honesty or ethics. This video is a must to understand why we must reverse this fatal trend in America before it is too late.”
De ruimte tussen deze opvatting aan het ene uiterste van het spectrum en de opvatting aan het andere uiterste, dat een samenleving of staat heel goed zonder godsdienst of religie kan bestaan, is een belangrijke vraag die mij nog steeds bezig houdt. Dat sluit niet uit dat een daarmee samenhangende vraag eveneens aan de orde moet blijven komen: valt godsdienst of religie samen met haar maatschappelijke of politieke functie?
We bevinden ons met dit onderwerp in het midden van een debat dat ongeveer vijftien jaar woedt en dat wel wordt aangeduid als ‘de terugkeer van de religie’ of als ‘desecularisatie’. Het debat komt voort uit de twijfels die zijn gerezen over de onomkeerbaarheid van het proces van ontkerkelijking, laïcisering, secularisatie dat is verbonden met de ontwikkeling van wetenschap, technologie, welvaartsmaatschappij enzovoort. De godsdienst of religie bleek niet vanzelfsprekend op de terugtocht: ze kwam weer terug. De vraag daarbij: is godsdienst achterhaald en zo niet, waarom dan niet? Wat zijn de redenen die godsdienst zinvol laten zijn, niet alleen voor personen maar voor een samenleving? We moeten in het licht van deze vragen natuurlijk ook vragen naar de aard van de godsdienst of religie. Immers, het is goed mogelijk dat bepaalde historische of lokale vormen van godsdienst verdwijnen zonder dat de eigenlijke kern van de godsdienst wordt aangetast: ze neemt alleen een andere gedaante aan. Kortom, het is niet gezegd dat sociologische termen als secularisatie, ontzuiling, ontkerkelijking, laïcisering enzovoort verwijzen naar fundamentele en onomkeerbare ontwikkelingen; het kan goed zijn dat de feiten alleen uitgelegd kunnen worden als vormveranderingen – aanpassingen van de godsdienst aan een nieuwe wereld. Maar het kan ook zo zijn, ik herhaal nog eens de stelling van Marcel Gauchet, dat religie een contingent gegeven is in de menselijke wereld: haar verschijnen is even toevallig als haar verdwijnen.