3.3 Politiek-theologische denkfiguren

Dit tweede hoofdstuk van het derde deel van dit onderzoek wil ik besteden aan enkele belangrijke politiek-theologische denkfiguren, die de verhouding tussen religiekritiek en politieke orde sterk hebben bepaald. De gedachte dat met de christelijke verwerping van de Romeinse politieke theologie aan alle politieke theologie een einde zou zijn gekomen, is een misvatting.[1] Die verwerping is om allerlei redenen uiterst dubbelzinnig, niet alleen omdat het christendom het antieke politieke denken met al zijn begrippen overneemt en herinterpreteert, maar ook omdat het christendom tot nog vrij kort geleden een uitgesproken politieke rol heeft gespeeld en zijn plaats in de maatschappelijke orde heeft opgeëist. Dat is ook één van de redenen dat de christelijke kritiek op de Romeinse politieke theologie in de vroegmoderne tijd kon worden herhaald, maar nu gericht tegen kerk en staat zelf voor zover deze zich in een translatio imperii hadden verwikkeld. De Reformatie en de (vroeg)moderne religiekritiek verwerpt wederom de verbinding tussen godsdienst en politieke orde. De vraag is dan of dit nu echt ondubbelzinnig gebeurt. Ik meen van niet en daarom is het nodig de politiek-theologische denkfiguren te beschrijven die mede blijven doorspelen in alles wat zich vandaag nog als religiekritiek en pleidooi voor een lekenstaat aandient.

De eerste denkfiguur die ik bespreek betreft de gestalte van goddelijke machtsuitoefening of heerschappij: theocratie. Deze denkfiguur is, in tegenstelling tot de gangbare, pejoratieve maar twijfelachtige betekenis van priesterheerschappij, vooral van belang om te begrijpen wat een macht kan zijn die niet door mensen en in deze wereld wordt waargenomen. Theocratie kan een sleutelbegrip zijn voor de geschiedenis van de politieke theologie die niet alleen het bekende idee van een ‘sacrale koning’ omvat, maar allerlei gedaantewisselingen ondergaat. Ook twee andere denkfiguren doorbreken voor een deel het idee van politieke theologie als rechtvaardiging van eenhoofdig politiek gezag door een godheid die deze macht heeft ingesteld: Gnosis en Apocalyps. De Gnosis verwijst naar een scherpe verwerping van het aardse bestaan en van de politiek in en van de wereld, en heeft als zodanig een politiek-theologische betekenis. De Apocalyps stelt ons in staat de theologische achter- en ondergrond van het revolutionaire politieke denken op het spoor te komen.

Noten

[1] De stelling is zoals eerder beschreven van Erik Peterson: Der Monotheismus als politisches Problem: ein Beitrag zur Geschichte der politischen Theologie im Imperium Romanum, Hegner, Leipzig 1935. Mijn benadering is onder andere bezield door Carl Schmitt, Politische Theologie II. Die Legende von der Erledigung jeder Politischen Theologie (1970), Duncker & Humblot, Berlin 1984.